Kerkblad SAMEN

20171206 voorkant samen

SAMEN is het kerkblad voor gemeenteleden van de gehele Protestantse Gemeente Eindhoven (PGE) en verschijnt 10 keer per jaar.
Het kerkblad wil een bron van toerusting en inspiratie zijn, en de lezers stimuleren met elkaar het geloofsgesprek aan te gaan.
Daarom biedt SAMEN naast informatie over PGE-brede activiteiten en berichten uit de wijkgemeenten ook beschouwingen over theologische onderwerpen en actuele thema’s.

Inhoud kerkblad SAMEN

Elke maand wordt gekeken welke artikelen uit het kerkblad online gezet kunnen worden. Hieronder vindt u per maand een selectie van artikelen.

December/januari 2017/2018 - met thema: Kerst.  Lees meer...

Hoofdartikel: Weihnachtsoratorium

Oratorium
Johann Sebastian Bach heeft drie werken geschreven die hij zelf ‘Oratorium’ heeft genoemd. Het zijn composities voor Kerst, Pasen en Hemelvaart. Het gaat dus om muziek die Bach schreef voor de grote feesten van de kerk. Deze oratoria ontstonden of kregen hun definitieve vorm vanaf ongeveer 1735, toen Bach al ruim tien jaar als cantor in Leipzig werkte. Opvallend is dat veel muziek uit deze oratoria ook te vinden is in wereldlijke cantates die Bach heeft geschreven.

Liturgie
Bach heeft zijn vocale geestelijke muziek (cantates, oratoria, motetten en missen) geschreven voor gebruik in de kerk. De enige uitzondering is waarschijnlijk de ‘Grosse Catholische Messe’, die wij kennen als de ‘Hohe Messe’ en nu meestal de mis in b-klein (h-moll) wordt genoemd. De vocale geestelijke muziek van Bach is liturgische muziek die tot klinken kwam in kerkdiensten. In de lutherse traditie is kerkmuziek in alle vormen (kerklied, koor- en orgelwerken en instrumentale muziek) van grote betekenis en in kerkdiensten wordt daar een ruime plaats voor ingeruimd. Daar was zeker in Leipzig ten tijde van Bach alle gelegenheid voor. De hoofddienst op zondagmorgen begon om zeven uur en duurde, afhankelijk van het aantal kerkgangers drie tot vier uur. Een belangrijk deel van die kerkdienst was de muziek.

Kerst
Het Weihnachtsoratorium is door Bach geschreven om gezongen te worden tijdens kerkdiensten in de kersttijd. Dat verklaart de bijzondere vorm van dit werk. Het bestaat uit zes delen die bedoeld zijn om op verschillende feestdagen  te worden gezongen. Bach heeft het werk zeker als een geheel bedoeld, maar de delen kwamen afzonderlijk tot klinken. Er zijn delen voor Kerst (de eerste, tweede en derde kerstdag), de dag van de besnijdenis van Christus (1 januari), de zondag na nieuwjaar en tenslotte Epifanie (6 januari). Deze opzet laat zien dat de liturgie bepalend was voor de vorm van het werk en het blijkt ook dat het werk niet in elke kersttijd gebruikt kan worden. Er ontbreekt een deel voor de zondag die tussen Kerst en 1 januari kan vallen. En de zondag na nieuwjaar zal niet elk jaar voor 6 januari vallen. Bach schreef de muziek voor het Weihnachtsoratorium voor de kersttijd van 1734/1735 en richtte zich naar de feestdagen van die periode. Deel 1 van het Weihnachtsoratorium klonk voor het eerst op zaterdag 25 december 1734.

Tekst
Het liturgisch gebruik van Bach’s koormuziek bepaalde niet alleen wanneer en waar de muziek tot klinken kwam. De teksten van de cantates, die zondags afwisselend in de Nicolai- en de Thomaskirche in Leipzig werden gezongen, zijn steeds verbonden met de voor die zondag gelezen bijbelgedeelten. De teksten die veel hoorders vandaag maar voor lief nemen, omdat de muziek zo mooi is, vormen een wezenlijk deel van de werken van Bach, ook al zijn het niet (meer) onze woorden. De teksten klonken in de liturgie en vormden een deel van de verkondiging in de kerkdienst. De muziek die Bach schreef voor de kerkdiensten in Leipzig kan gezien worden als een muzikale preek.

Eén van de kenmerken van het Weihnachtsoratorium is dat het de bijbeltekst weergeeft waarin de geboorte van Jezus wordt verteld. Dat zijn gedeelten uit het Lucasevangelie (in de eerste vier delen) en uit het Mattheüsevangelie (in de laatste twee delen). Om dit doorlopende bijbelverhaal in zijn oratorium weer te kunnen geven is Bach afgeweken van de in het gevolgde leesrooster aangegeven lezingen.

Naast de tekst van het evangelie vinden we in het Weihnachtsoratorium coupletten van kerkliederen (koralen),die vaker dan gebruikelijk in Bach’s werk uit liederen uit de 17e eeuw gekozen zijn. Meestal koos Bach voor oudere gezangen uit de tijd van de lutherse reformatie (in de 16e eeuw). De keuze van de koralen in het Weihnachtsoratorium is opvallend ‘modern’.

Tenslotte vinden we in het werk zo genoemde ‘vrije’tekst in de aria’s en hun inleidende recitatieven. Dat is tekst die nieuw geschreven is voor het Weihnachtsoratorium.

Deze tekstlagen sluiten aan bij de manier waarop in de tijd van Bach de bijbel werd gelezen en uitgelegd: de bijbel werd gelezen (het evangelie), uitgelegd (recitatief), toegepast (aria) en door de gemeente beantwoord (koraal).

Een belangrijk doel van de muziek is het onderstrepen van de betekenis van de tekst. De keuze van toonsoorten en muziekinstrumenten spelen daarin een belangrijke rol.

Feestelijk
Het Weihnachtsoratorium opent feestelijk en groots. We horen om te beginnen pauken en  trompetten. Daarna klinken de houtblazers (fluiten en hobo’s) en de strijkers (violen, altviolen en celli). De opening is koninklijk. In de lutherse traditie wordt op de eerste zondag van advent het evangelie van de intocht van Jezus in Jeruzalem gelezen. De Heer wordt als koning begroet en toegejuicht door de mensen. Dat wordt in het Weihnachtsoratorium weer opgenomen. God wordt bezongen als de Machtige (Herrscher) en de Verhevene (Höchste). Hij komt met kracht (Held) en licht (Stern) op aarde. Opnieuw klinkt een trompet als Jezus wordt bezongen in zijn macht en heerlijkheid (Grosser Herr und starker König): de hemel raakt de aarde! Ook het derde deel dat de viering van het Kerstfeest afsluit, heeft dezelfde feestelijke en koninklijke klank.

Nederige geboorte
God zoekt de mensen, omdat Hij om hen bewogen is. De geboorte van Jezus betekent heil en troost voor mensen. Daar zit ook een moment van verwondering in: de hoge (en verre) God komt dichtbij en wordt klein en arm. God ziet af van koninklijke pracht en praal. Luther noemt in zijn preken vaak de wonderlijke en vooral vrolijke ruil die hier plaatsvindt: voor de mensen heil en bevrijding, voor God vernedering. We vinden dat motief ook in het Weihnachtsoratorium: Jezus wordt in een kribbe gelegd (in harten Krippen), Hij is klein en kwetsbaar (auf Erden kommen arm). Bach kiest bij deze teksten voor toonsoorten die lager liggen.

Het is ook omgekeerd. Als er sprake is van licht en blijdschap om de komst van Christus kiest Bach voor toonsoorten die hoger liggen en meer schitteren.

Hemel en aarde
Het begin van het tweede deel wordt alleen door het orkest gespeeld. Er wordt niet gezongen, er klinkt geen koor er is geen tekst. Dat wil niet zeggen dat er niets verteld wordt. We horen twee groepen instrumenten. Eerst de fluiten en de strijkers, daarna hobo’s. Het zijn de instrumenten van de engelen en de herders. Ze hebben ieder hun eigen muzikale motief en ze spelen niet gezamenlijk. Het zijn twee werelden: hemel en aarde. Gaandeweg nemen de hobo’s het muzikale motief van de fluiten en violen over: de hemel beweegt naar de aarde toe. En aan het einde van het stuk horen we alle instrumenten gezamenlijk. Vlak voor het slot, waarbij alle instrumenten klinken, horen we hoe de hobo’s (de herders) de muziek van fluiten en violen (de engelen) letterlijk herhalen: één koor in hemel en op aarde.

De Naam
In het Weihnachtsoratorium is te zien hoe verschillende thema’s uit de geloofsleer en de prediking verwerkt worden in de tekst en de muziek. Als een voorbeeld noem ik een paar momenten uit het vierde deel: De grondstemming van kerst is ‘danken’ en ‘loven’. Eerder liet  Bach de woorden ‘juichen’, ‘verheugd zijn’, ‘prijzen’ en ‘zingen’ horen. Het is gericht tot God, die in zijn liefde omziet naar de mensen. Gods Zoon wil onze ‘Heiland’ en ‘Verlosser’ zijn. Hij stilt het ‘woeden en razen’ van zijn en onze ‘vijanden’. Hij brengt ons rust en troost. Wij mensen mogen komen naar en staan voor de ‘troon van Gods genade’. In het vierde deel van het Weihnachtsoratorium klinkt het evangelie van de naamgeving van Jezus. Het eerste woord van de ‘vrije’ tekst is: ‘Emmanuel…!’ (God met ons). Daarna begint een aantal regels steeds met dezelfde woorden; ‘mijn Jezus’. Het hart van dit deel is een gesprek, een spel, waarin de vraag van de gelovige en als echo het antwoord van Jezus klinkt.

Eén van de belangrijke thema’s is de liefde van God voor mensen die in jezus zichtbaar wordt en het antwoord en de reactie daarop van mensen. De schitterende en schetterende klank van de trompetten heeft nu plaats gemaakt voor de milde klank van hoorns. Dat Jezus is gekomen, is reden voor blijdschap en dank. Er mag met liefde op geantwoord worden. Verschillende namen waarmee Jezus genoemd wordt laten dat zien: ‘bruidegom’, ‘liefste’, ‘mooiste’… Het is taal die ontleend is aan het bijbelboek Hooglied. En ook al zijn dat niet misschien meer de woorden waarmee wij over Jezus spreken, ze kunnen ons wel uitnodigen om zelf beelden en woorden te zoeken voor de plaats die Jezus in ons leven in mag nemen.

God en mens
De contrasten zijn groot in het kerstevangelie. De muziek die Bach schreef laat dat horen. Er is uitbundig zingen en dan klinken er veel instrumenten. De muziek verstilt als gesproken wordt over God die er voor kiest om klein te zijn en als verteld wordt over Jezus die mens wordt als wij. Dat God naast mensen wil staan en met hen mee wil gaan is de kern in Bach’s Weihnachtsoratorium.

In het laatste deel van het Weihnachtsoratorium horen we nog eens de instrumenten waarmee het werk opende: pauken en trompetten. Zo wordt Gods grootheid en heerlijkheid verkondigd. In het laatste lied laat Bach de gemeente zingen en de Kerk verkondigen waar het in zijn ogen met de viering van het Kerstfeest om gaat.

Bei Gott hat seine Stelle

Das menschliche Geschlecht.

Met een wat gedateerd woord noemen we dat: heil.

Concert
Op maandagavond 18 december zal de Eindhovense Oratorium Vereniging delen van het Weihnachtsoratorium ten gehore brengen. Het concert zal bestaan uit de eerste vier delen en het beginkoor van het vijfde deel van het Weihnachtoratorium.

Dat is een mooie gelegenheid om op weg naar Kerst deze prachtige muziek en dit vrolijke evangelie te horen.

Bert Jan van Haarlem

Bestuurlijk nieuws: De kerk van de toekomst, begint vandaag

Op 16 november was de jaarlijkse gemeenteavond van de PGE. We hadden Karin Seijdell uitgenodigd iets te vertellen over de geestelijke verzorging in de tehuizen, helaas was ze die dag door ziekte geveld. Dat betekende improviseren. Daarvoor hebben we een stellingspel gebruikt. U weet vast nog wel – die stellingen die Luther 500 jaar geleden publiceerde met als doel discussie uit te lokken. Wij sloegen geen stellingen op de deur van de Johanneskerk, maar gebruikten de ruimte van de kerkzaal om ons zichtbaar te positioneren.

Ik geef een voorbeeld van zo’n stelling: Ik lees de bijbel niet meer, want ik heb hem al uit. Als je het daarmee eens was ging je aan de ene kant van de zaal staan, als je het helemaal oneens was aan de andere kant, of je stond ergens tussenin. Op die manier werden overeenkomsten en verschillen zichtbaar en ontstonden kleine gesprekjes over de motivatie voor de verschillende posities.

Kleine gesprekjes… Wat geloof jij? Waarom ga je, waarom blijf je? Misschien grote vragen? Of juist hele persoonlijke en kleine vragen om in de kerk van vandaag (weer) met elkaar te doorleven. In de Bries van dit najaar staat hierover een mooi artikel van ds. Nynke Dijkstra.

Ook in de PGE willen we in de eerste helft van 2018 met dit soort vragen aan de slag. Hoe zie jij de  kerk van de toekomst? En hoe kun je daar vandaag al door geïnspireerd worden? Groot denken, klein doen. Tegelijk met de redactie van Samen had de AK het idee om met dit thema iets te doen. We hebben deze initiatieven in elkaar gevlochten en de wijkkerkenraden hier ook bij betrokken. In 2018 zal de redactie een aantal nummers van Samen aan dit thema wijden, we denken na over een themazondag, om op verschillende simpele manieren met elkaar in gesprek te komen, om de stem van mensen aan de rand van of buiten de kerk over dit onderwerp te horen, om geïnspireerd te raken door wat in pioniersplekken elders in het land gebeurt, etc.

We willen hier geen groots en meeslepend traject van maken, maar het klein en simpel houden. Het zit niet in de kwantiteit, het aantal uren of het aantal deelnemers. Wel in de diepte van het gesprek en de oprechtheid. Ik hoop dat u daar in wilt mee investeren, zodat we geïnspireerd worden.

De laatste stelling die we op de gemeenteavond bespraken luidde: De kerk moet niet zoveel tobben. Veel mensen stonden op de plek ‘eens’. Dat geeft hoop voor de toekomst. Ik wens u allemaal hele goede kerstdagen toe, een mooi uiteinde en een fijn begin van het nieuwe jaar!

Hartelijke groet,

Benjamin Jansen

Dienen: Armoede in Nederland?

We zijn toch niet arm? We leven in één van de rijkste landen van Europa. Toch werd er vorig jaar in Nederland drie miljoen keer aangebeld door een deurwaarder, werd er één miljoen keer beslag gelegd op loon of uitkering, werd 28.000 keer elektriciteit afgesloten en werden er 8.000 huizen ontruimd.

Ik kon het ook niet geloven, had er zelfs nooit bij stilgestaan tot ik op de voedselbank cliënten ontmoette. Het eerste dat mij opviel, was dat je het helemaal niet aan hen kunt zien. Pas na lange tijd komen de verhalen. Ze zitten allemaal ‘in de schulden’ en schamen zich daarvoor. Eigen schuld, dikke bult kun je denken, maar is dat wel zo? Een schuld is zo gemaakt en eenmaal in de schulden kom je er bijna niet meer uit: schulden groeien door boetes en rente uit tot astronomische bedragen. Mensen verliezen het overzicht en openen de post niet meer.

Wie zijn dan de schuldeisers? Met ster op de eerste plaats staat onze overheid! Een bekeuring voor een onverzekerd brommertje is 390 euro, maar wie zo’n bekeuring niet kan betalen moet nog eens 780 euro extra betalen. Boete op armoede dus.
Neem de zorgverzekering: 270.000 Nederlanders moeten elke maand een kwart extra boetepremie afdragen omdat ze zes maanden betalingsachterstand hebben. Het is duur om arm te zijn!
Dan de incassobureaus: die berekenen vaak te hoge inningskosten en overtreden daarmee de wet. Er zijn zelfs incassobureaus die schulden opkopen bij collega’s… Handel in schulden dus.
En dan nog de deurwaarders: ‘Van een kale kip kun je niet plukken’, verzuchtte een deurwaarder, ‘maar we proberen er toch nog soep van te trekken’.

Arme mensen kunnen uitstekend improviseren hoe zij van dag tot dag moeten leven. Plannen maken voor langere tijd gaat niet, wat toch een eerste voorwaarde is om uit de armoede te komen. “Bandbreedte verkleining” heet dat bij sociologen. Armoede blijkt ook ‘erfelijk’. Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje, is al een heel oud spreekwoord.

Als je weinig geld hebt, is het leven duur: je kunt je geen OV kaart veroorloven. Als je dan een keer met de bus gaat, betaal je hoofdprijs. Je kunt geen gebruik maken van ‘aanbiedingen’: “drie kopen, twee betalen” geldt niet voor jou als je nauwelijks geld hebt voor één.

Om al het bovenstaande te verbeteren is uw hulp nodig. Tot nieuwjaarsdag kunt u een petitie tekenen gericht aan de Tweede Kamer.
Zie daartoe: https://petities.nl/petitions/manifest-schuldvrij
In maart zijn er gemeenteraadverkiezingen. Dat en al het bovenstaande was reden voor onze diaconie zich samen met andere partijen achter een manifest te scharen voor de Eindhovense politiek, waarin maatregelen staan die de politieke partijen zouden moeten opnemen in hun verkiezingsprogramma.
Zie https://www.pkn-eindhoven.nl/diaconie-nieuws/2143-armoede-manifest
En reserveer 9 maart ‘s morgens om deel te nemen aan een debat daarover! Verdere informatie daarover volgt in een volgende SAMEN. De verdere voorjaarsplannen van de werkgroep Rechtvaardigheid en Economie in dit kader zult u, naar wij hopen, in de wijkbrieven kunnen lezen.

Werkgroep Rechtvaardigheid & Economie

TINT: Sportieve samenwerking

Als student heb ik zelf soms enorm drukke periodes, waarin ik eigenlijk niet normaal rond kan komen met mijn tijd. Dan lijken de dagen soms aan elkaar geplakt met daarin een korte pauze die dan “nachtrust” wordt genoemd. Wanneer ik niet meer aan alle dingen toe kom, verlies ik langzaam mijn balans. Als ik dan niet snel weer de kleine dingetjes oppak, dan hoeft het niet lang te duren voor het me teveel wordt. Eén van de dingen die ik tijdens mijn studie leerde was, hoe belangrijk sport voor me was. Naast gezonde voeding en slaap heb ik regelmatig mijn momentje van sport nodig. Voor vele anderen wordt sport gezien als datgene waar ze eigenlijk geen tijd voor kunnen maken.

Zelf geef ik sinds enkele maanden les op het sportcentrum van de universiteit. Vanwege deze werkzaamheden kom ik in contact met veel studenten die ook dit gevoel van structuur ervaren. De vaste momenten in de week waarop de groepslessen gegeven worden, helpt studenten om momenten van sport een kader te geven. In sommige opzichten kun je dit ook vergelijken met meditatie, omdat studenten in dat uurtje zich toch helemaal geven en genieten van het feit dat ze even niet bezig hoeven te zijn met andere activiteiten. Ook het sociale aspect van groepslessen doet veel studenten goed. Enerzijds omdat je niet halverwege de les kunt stoppen en dus een goede workout krijgt. Anderzijds zie je toch min of meer dezelfde mensen elke week en ook dat geeft een gevoel van structuur en continuïteit.

De laatste tijd is de samenwerking tussen TINT en het Sportcentrum toegenomen. Enerzijds omdat sport een goed medium is om dichter tot jezelf te komen, anderzijds is het omdat groepsinstructeurs voor veel studenten aanspreekpunt zijn voor hun persoonlijke problemen. Dit is mede de reden dat het sportcentrum studenten doorverwijst naar TINT voor coaching en TINT de sportdocenten kan helpen met het eerste contact tussen studenten en docenten.

Verder staat ontmoeting ook bij allebei de partijen centraal. In de nabije toekomst werken we aan evenementen die bepaalde studenten op de TU/e helpen, evenementen die we “It’s Okay” evenementen noemen. Bij deze evenementlijn is het hoofdzakelijk het doel om te relativeren en om een student in contact te brengen met anderen met soortgelijke problemen. De eerstkomende evenementen zullen zich richten op het zelfvertrouwen van jonge vrouwelijke studenten, die toch een minderheid zijn op de TU/e. Dit onderwerp is mede ontstaan door de contacten die we hebben met het sportcentrum. Verder staan er ook evenementen op de planning gericht op studenten die last hebben van prestatiedruk en studenten die moeite hebben met het op gang komen met de studie. De nieuwe samenwerkingen werken inspirerend en beloven in ieder geval veel goeds!

Cees Gniewyk, student-assistent@TINT>

ZorgSamen: Levensverhalen

In mijn werk in de ouderenzorg ontmoet ik mensen die hun levensverhaal willen delen. Verhalen van vreugde en verdriet. Van liefde en mislukking. Sommige herinneringen worden nu voor het eerst verteld, omdat er vroeger geen ruimte voor was, taboe, weggestopt in je diepste binnenste. En nu dringt het verhaal zich naar buiten. Hoe kom je in het reine met die geschiedenis? Wat kun je met de scherven?

Ik dacht aan hen toen ik onderstaande schreef, bij deze tijd van het jaar, van het leven.

Tussen ons in
Verwachten van, uitzien naar…
Kan er iets nieuws geboren worden?
Hoop en angst wisselen elkaar af
Donker, bijna niet uit te houden
Verlangen naar licht, naar Verlichting

Licht wordt ontstoken het ene na het andere
Kaarsen, lampjes, snoeren van lichtjes aaneengeregen.
Dat raakt aan je diepste verlangen, om mens van het Licht te zijn.

Menswording
God is mens geworden in Jezus
Zichtbaar en tastbaar in zijn mensenleven
Hij wordt geboren in de tijd, in onze tijd
Komt opnieuw aan het Licht

Menswording
Met je levensverhaal van gebrokenheid en kwetsuren
Bagage van levenskracht en zon,
van tekort en teleurstelling

Mag heelwording geschieden,
Als nieuw,
Door deze mens van God
Dat er iets nieuws geboren mag worden
Tussen ons in

Joop Lankhaar, geestelijk verzorger.

Column: #MeToo omgekeerd

Begin november was ik een paar dagen in Parijs. Natuurlijk waren er al winkels met kerstversiering. Daar hebben ze tenslotte geen bemoeienis met Sinterklaas, dus nog vóór de adventstijd begonnen is kondigt het kerstfeest zich al aan. Ik hoorde op de radio zelfs al het openingskoor en nog wat andere delen uit Bach’s Weinachtsoratorium. Daar keek ik wel van op, want ik ben gewend dat pas met Kerstmis te horen. Vroeger, bij mij thuis, werd het pas echt kerstmis als we uit de nachtmis kwamen, mijn moeder naar binnen rende en het Weinachtsoratorium op zette. Het kerstkind werd in de kribbe van de kerststal gelegd, alle kaarsen, onze enige verlichting tijdens de kerstdagen, aangestoken. Dan kwamen de beschuiten met muisjes op tafel en het warme kerstgevoel daalde over ons neer. Het waren rituelen, die zich ieder jaar herhaalden en dat voelde goed. Op de beschuiten met muisjes na heeft mijn eigen gezin ook zo de kerstdagen beleefd. Een heerlijk gevoel, maar alleen geldig voor die tijd. Het Weinachtsoratorium in de novemberdagen in Parijs riep dat gevoel dan ook absoluut niet op. Het was de verkeerde context.

Wat betekent kerstmis dan toch? De geboorte van Jezus heeft een enorme impact gehad op de mensheid, zodat het nu nog steeds zo uitbundig gevierd wordt. Bach heeft dat met zijn Weinachtsoratorium heel goed in kaart gebracht. Het openingskoor: ‘Jauchzet, Frolocket’, Is een juichend begin met pauken en trompetgeschal, instrumenten die vooral bedoeld waren voor de begeleiding van de komst van vorsten. Heel mooi dus, dat Bach ze daar gebruikt, maar Bach wil ook aangeven, dat Jezus voor iedereen geboren is, dus als de herders opgevoerd worden klinken diezelfde pauken en trompetten, later ook bij de Drie Koningen.

Herders, mensen zonder veel huiselijkheid, mogen ook delen in de goede tijding van de geboorte van de vredevorst.

Het trof mij des te meer, omdat er ook in Eindhoven heel wat mensen rondlopen zonder een thuis, waar kerstmuziek opgezet wordt en kaarsen aangestoken, terwijl zij er evenveel recht op hebben als u en ik. Daarom ook zijn er inloophuizen, huizen, waar je je even thuis mag weten, even gekend mag weten in de vooral anonieme wereld, waar ze vaak in rondlopen. In Eindhoven heet dat inloophuis ‘’t Hemeltje’ en zo ervaren de bezoekers het ook. Die naam is door henzelf bedacht. Veel vrijwilligers en medewerkers zorgen daar ieder jaar voor kerstrituelen en symbolen, voor trompetgeschal en paukenroffel. In ’t Hemeltje is een viering, waarin uit volle borst de kerstliedjes gezongen worden, waar het licht van Jezus aangestoken wordt. Er wordt licht gebracht in levens, die vaak donker zijn. Er wordt stil gestaan bij dingen in het leven die pijn doen, bij mensen zonder licht. Er wordt licht gedeeld, warmte gedeeld en aandacht gedeeld.

De media staan vol van #MeToo, een aanklacht die gaat over grensoverschrijdend gedrag waar altijd een vorm van machtsmisbruik bij hoort. Met kerstmis vieren we de geboorte van iemand die juist afzag van macht, die zich onbaatzuchtig inzette voor de mensen aan de rand van de samenleving:

Bouwen aan het Koninkrijk. Laten we daarom de andere kant eens benadrukken van #MeToo: afzien van macht en je inzetten voor een ander, een herder, een thuisloze. Ik hoop, dat, juist met kerstmis, er heel veel mensen, wiens leven veel duisternis en weinig warmte kent, zullen zijn die dit jaar kunnen zeggen: #MeToo: ook ik heb meegemaakt, dat iemand mij een mooi moment heeft gegeven, ook ik heb meegemaakt dat iemand de wind onder mijn vleugels was, waardoor ik weer even verder kon vliegen. Want zoals Bach al wist: ook voor hen is Jezus geboren, ook voor hen een vorstelijke begeleiding.

Bernadette van Litsenburg

Varia: Herkenning

Zomaar een gesprekje beginnen met mensen die vertrekken, of mensen die iemand ophalen in de aankomsthal, is goed te doen. De meeste mensen willen best even praten en iets vertellen over de persoon die ze ophalen of over zichzelf. Dan vragen ze aan mij, ‘en jij, haal je ook iemand op, of ga je ook op reis?’ Dan zeg ik, ‘er is hier op het vliegveld een gebedsruimte, ik ben luchthavenpastor, ik ben dominee. Ik houd die gebedsruimte bij, en ik heb gesprekken’. Vaak komt het voor dat ze niet weten wat een gebedsruimte is, en ook géén idee hebben wat een pastor of een dominee is. Natuurlijk ben ik graag bereid dat uit te leggen Maar er zijn ook momenten, dat er herkenning is, en dat mensen precies weten waar het over gaat. Een vrouw vertelde dat ze op vakantie naar Turkije ging. Ik zei dat er een gebedsruimte is, op de luchthaven, en ze zei meteen, o net als in het ziekenhuis. Toen ik in het ziekenhuis lag, ben ik daar zo vaak geweest, zo fijn dat zoiets bestaat. En toen kwam het hele verhaal waarom ze in dat ziekenhuis was geweest. Nu was ze genezen en ging dankbaar op vakantie. Afgelopen zomer was er een groep jonge mensen in de vertrekhal, ze hadden allemaal hetzelfde T-shirt aan, dan weet je dat ze bij elkaar horen. Ik vroeg gaan jullie samen op reis. Ja, zeiden ze, we zijn van de PKN, van een dorp hier in de buurt, en we gaan naar Roemenië om daar een buurthuis op te knappen. Onze gemeente heeft al langer contacten met de gemeente daar. Er is een grote auto met materialen onderweg, en wij gaan vliegen. Ik vertelde dat ik dominee ben. Dat was een feest van herkenning. Ik weet precies wat de PKN is, zij weten wat een dominee is. Ik heb ze veel Zegen op hun werk gewenst, en ik wist dat deze wens begrepen werd en binnenkwam. Het vliegveld is een omgeving, waar zeer veel verschillende mensen komen. Ik vind het heel mooi om met al die verschillende mensen in contact te komen. Maar het is ook erg prettig als je elkaar zomaar op eens precies begrijpt. Die herkenning is erg inspirerend.

Mirjam van Nie

Varia: Omgangsoecumene

Was er in de tijd na de Reformatie ooit iets van oecumene te merken? In de zestiende eeuw hadden in de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden ongeveer tweeduizend protestanten het leven gelaten door de rooms-katholieke inquisitie. In de zeventiende eeuw mochten katholieken geen publieke erediensten houden en ook geen overheidsfuncties bekleden en werden hun kerken aan de gereformeerden gegeven. In beide perioden was oecumene uiteraard ondenkbaar.

Toen de katholieken hun kerken verloren, gingen zij toch stiekem diensten houden in huizen en schuren, de zogenaamde schuilkerken. Waar die stonden werd natuurlijk gauw bekend. Gereformeerde kerkenraden drongen er bij de overheid op aan om daartegen op te treden, maar doorgaans weigerden stadsbesturen dat, omdat zij er waren voor alle inwoners en geen opstand wensten. Uiteindelijk werden die erediensten gedoogd. In Den Bosch bestond de katholieke Onze Lieve Vrouwe Broederschap. Rond het midden van de zeventiende eeuw vroegen enkele gereformeerde notabelen of zij ook lid mochten worden. Van katholieke en van gereformeerde kant kwam daartegen veel verzet. Toch werd er, na lange discussies, in toegestemd. Ook in andere plaatsen konden katholieken en gereformeerden het soms redelijk met elkaar vinden. Zo kreeg omstreeks 1700 de Eindhovense predikant Ds De Jongh veel kritiek,omdat hij meer bij katholieken was te vinden dan bij zijn eigen gemeenteleden. Verder bestond toen het stadsbestuur in het overwegend katholieke Eindhoven uit twaalf katholieken en twee gereformeerden, omdat er te weinig bekwame gereformeerden zouden zijn.

Ook in beroepsgroepen was er een goede samenwerking tussen katholieken en gereformeerden. Er bestonden gilden en broederschappen, een vroege vorm van vakverenigingen, die zich beijverden om goede producten te maken en daarover afspraken te maken. Textielhandelaars werkten broederlijk samen om gunstige handelsregelingen te verwerven, zoals lage in- en uitvoerrechten. In de gilden droegen de leden bij aan een pot waaruit bijdragen werden betaald aan weduwen van gildebroeders.

Al deze vormen van samenwerking tussen katholieken en gereformeerden noemde men later ‘omgangsoecumene’. Er was geen sprake van kerkelijke toenadering, wel van persoonlijke samenwerking, al was dat broos. Conflicten lagen op de loer. Toen er in Eindhoven een schoolmeestersvacature ontstond en het stadsbestuur niet de kandidaat van de dominee benoemde, was de vriendschap van Ds De Jongh met de katholieken meteen over en wist hij te bereiken dat er een stadsbestuur kwam met een gereformeerde meerderheid.

Later, in de negentiende eeuw, verdwenen veel van de georganiseerde contacten. Toen arbeiders in Den Bosch zelf een vakbond oprichtten, benoemde de bisschop een zogenaamde geestelijk adviseur, die zonder overleg het vakbondsbestuur ontsloeg en zelf een nieuw, betrouwbaar katholiek bestuur aanstelde. De tijd van de verzuiling kwam er aan, waarbij elke zuil haar eigen organisaties kreeg. Inmiddels bestaat omgangsoecumene nu overal. Wat nog wacht is een nieuwe: die met moslims.

Gerard van Gurp

November 2017 - met thema: Studentenpastoraat.  Lees meer...

Onderstaande artikel staat in de rubriek " Studentenpastoraat" op pagina 2 van Samen jaargang 46 no. 10

Introductie SAMEN over studentenpastoraat

Dit nummer gaat over studentenpastoraat. In drie artikelen wordt de relatie tussen geloof en student beschreven. Het eerste gaat over het ons welbekende studentenpastoraat. In dit pastoraat worden vooral brede zingevingsvragen aan de orde gesteld. Ook wordt de interreligieuze discussie en het begrip voor andere religies gestimuleerd. In het artikel over IFES wordt aan de hand van een belevenis verteld hoe studenten geholpen worden om troost en bemoediging te vinden vanuit geloof in het verband van de organisatie IFES. In het derde artikel(op de middenpagina) wordt verteld hoe langs een heel andere weg , namelijk in de gestalte van een rasechte studentenvereniging (SSR.nu) de bezinning op geloof en het beleven van een karakteristieke studentencultuur met elkaar verbonden kan zijn.’ Vanuit de redactie worden in een commentaar enkele vragen opgeroepen over ‘ons woord voor de wereld’.

 Onderstaande artikel staat in de rubriek " Studentenpostoraat " op pagina 2 van Samen jaargang 46 no. 10

Waar studenten in geloven

Vanuit de redactie van de Samen is mij gevraagd iets te schrijven over de vraag wat studenten belangrijk vinden, hoe zij proberen daar vorm aan te geven en hoe daar vanuit kerken een bijdrage aan kan worden geleverd. Uiteraard doe ik dit graag!

Op de campus van de TU/e komt er steeds meer aandacht voor geloof. Meer en meer wordt duidelijk dat door toename van het aantal verschillende nationaliteiten ook de diversiteit aan religies en levensbeschouwingen toeneemt. Sinds kort heeft de TU/e dan ook een koepel opgericht, waaronder alle levensbeschouwelijke en religieuze studentenverenigingen verenigd zijn. Aan TINT is de vraag gesteld of wij deze koepel willen aansturen. Deze rol past ons goed: in de afgelopen jaren waren wij al verbindend bezig en het is mooi deze taak nu ook officieel toegekend te krijgen. Het brengt ons nog dichter in contact met studenten voor wie geloof belangrijk is.
Één van de doelen van de koepel is het bevorderen van onderlinge samenwerking. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij evenementen met de titel ‘Get together: muslims&christians’. Islamitische en christelijke studenten worden tijdens deze avonden uitgenodigd te verwoorden wat hen beweegt in hun geloof en van elkaars visie te leren. We bespeuren daarbij veel goede wil vanuit de verschillende verenigingen om verdraagzaamheid en onderling begrip te bevorderen. Het leuke is dat tijdens deze avonden ook niet- of anders-gelovige studenten aanschuiven omdat ze het boeiend vinden wat er besproken wordt.

Ook in de coaching komen geloofsvragen aan de orde. Er zijn studenten die bezig zijn met vragen als: ‘Hoe kan het dat God zoveel ellende tegelijkertijd op mijn pad brengt?’, ‘Hoe blijf ik met God in verbinding, terwijl ik zo’n volle agenda heb?’ ‘Als ik niet meer in de God van mijn ouders geloof, in wie of wat dan wel?’ Voor veel studenten spelen oosterse en westerse vormen van gebed, mindfulness en meditatie een rol in hun dagelijks leven. Het zijn manieren om met zichzelf en de grotere stroom van het leven in contact te blijven. Voor veel studenten is het een uitdaging zichzelf niet in de drukte van alledag en de veelheid van prikkels via sociale media te verliezen, maar de verbinding met zichzelf te bewaren. Met name de smartphone is continue bron van onrust, waarbij verslaving op de loer ligt. Op steeds jongere leeftijd worden mensen met hun eigen grenzen geconfronteerd, soms in de vorm van een burn-out.
Studenten ontwikkelen ook bewustzijn in de omgang met sociale media en hun smartphone. Ik hoorde laatst een student zeggen: ‘een tijdje terug was het in mijn vriendenkring hip om zo snel mogelijk te reageren op berichtjes op je telefoon. Inmiddels is het juist hipper om daar even mee te wachten. Je geeft daarmee aan dat je ook nog een ‘echt leven’ hebt en dat je misschien wel leuke dingen aan het doen bent.’

Om zichzelf te beschermen tegen teveel prikkels zijn er studenten die grenzen stellen aan de hoeveelheid nieuws uit de wereld die op hen af komt. Er zijn zelfs studenten die helemaal geen nieuws meer willen bijhouden ‘omdat je er toch niets aan kunt doen en er alleen maar somber van wordt.’ Toch spreek ik ook studenten die dit gevoel van machteloosheid willen omzetten in iets positiefs door zichzelf de vraag te stellen: hoe kan ik toch in het klein iets bijdragen aan een mooiere wereld? Wat doe ik met het stukje verantwoordelijkheid dat mij gegeven is? Veel studenten die gelijksoortige idealen delen, bundelen krachten in verenigingen met duurzame en sociale doelen, zoals Technology for Global Development (voor ontwikkelingssamenwerking) en de Go Green Office (voor duurzame ontwikkeling op de campus). Of denk aan de studenten die onlangs bij de World Solar Challenge in Australië de grenzen van duurzaam autorijden weer verder hebben verlegd. Ook ontmoet ik de laatste tijd steeds vaker studenten, die zich inzetten voor de jongerenafdeling van een politieke partij. Idealen leven dus wel degelijk op de campus en deze worden gedeeld door gelovige en niet-gelovige studenten!

Nu is het nog de vraag hoe vanuit kerken een bijdrage kan worden geleverd aan hetgeen waar studenten in geloven. Geen gemakkelijke vraag, aangezien de kloof tussen de kerkelijke wereld en het studentenleven vaak groot is. Ik denk dan ook niet dat het per se nodig is, dat kerken samen met studenten iets organiseren. Ik denk eerder dat studenten geholpen zijn, als kerken op hun manier handen en voeten geven aan de idealen waar ook studenten voor gaan. De bewegingen die studenten maken, kunnen ook door kerken worden gemaakt, maar dan op stadsniveau.
Waar studenten van verschillende geloofsrichtingen elkaar opzoeken om van elkaar te leren en begrip te laten groeien, kunnen kerken in de stad deze beweging versterken. Actief en open het gesprek en de samenwerking met andersgelovige stadgenoten opzoeken om zo de onderlinge verdraagzaamheid te vergroten. Ik geloof dat als kerken deze beweging maken op stadsniveau, dat dit jongeren inspireert en zij zich hierdoor gesterkt voelen. Waar studenten (gelovig en niet-gelovig) op de campus zich verenigen op het gebied van gedeelde idealen, zo kunnen ook kerken samenwerken met niet-kerkelijk organisaties om duurzaamheid en ontwikkelingssamenwerking goed op de kaart te zetten. Ook dit kan jonge mensen sterken in de manier waarop zij deze idealen vormgeven.
Tot slot denk ik dat kerken een meerwaarde hebben als plekken van rust in een jachtige en woelige tijd. Kerkdiensten zijn momenten om op adem te komen en daarnaast is het mooi als kerken de deuren openen voor oosterse en westerse vormen van het zoeken naar stilte, die veel jonge mensen aanspreken. Waarom naast de christelijke vormen geen onderdak bieden aan andere stromingen van wijsheid die onze samenleving tegenwoordig rijk is?

Waar kerken over de eigen grenzen heen kijken en samenwerking aangaan met anders-gelovigen en niet-gelovigen om gedeelde idealen werkelijkheid te laten worden, zullen jonge mensen zich gesteund voelen in hun streven naar een mooiere wereld. Waar kerken de deuren open zetten voor een diversiteit aan stromingen, zal dit een inspirerende werking hebben voor een nieuwe generatie!

Margit van Tuijl
studentenpastor/life coach @TINT

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Studentenpastoraat " op pagina 3 van Samen jaargang 46 no. 10

Blik in het studentenwerk

Met paniek in zijn ogen, een oppervlakkige ademhaling en met trillende handen staat hij daar. Hij wil het niet geloven, hij kàn het niet geloven. Daan* heeft net te horen gekregen dat zijn vriend is omgekomen in een ongeval met een busje. Met elkaar zoeken we een plekje, iedereen is van slag. Samen zijn we stil. Dan vertelt hij dat het nieuws op de fiets hoorde, hij was onderweg naar de samenkomst vanwege het vreselijke ongeluk dat heeft plaatsgevonden met een busje jongeren op de terugweg van Oekraïne. Al fietsend zag hij al op zijn telefoon bevestigd worden wat hij niet wilde horen. Zijn vriend is overleden. Ze kenden elkaar nog niet zo heel lang, maar toch ontstond er al een mooie vriendschap en nu in één klap is daar een einde aangekomen. Zijn handen trillen en zijn ademhaling is nog steeds oppervlakkig. Met elkaar zoeken we naar woorden, maar als blijkt dat die er niet zijn, blijven we stil….
Wat zijn we geschrokken met elkaar. De introweek stond voor de boeg en langzaam kwam iedereen weer terug in Eindhoven na de vakantie. Wij zouden die maandag vergaderen om afspraken te maken voor het nieuwe jaar. Alles stond in het teken van het nieuwe collegejaar. Wie stond er bij stil dat dit zo anders zou lopen dan gepland…
De zondagavond dat het verschrikkelijke nieuws van verschillende kanten binnen komt, zit een deel van het bestuur in mijn woonkamer. Ze zijn pas voor de zomervakantie begonnen en worden nu met een vreselijk ongeluk geconfronteerd waarbij verenigingsgenoten betrokken zijn. Wat is er precies aan de hand?! En wat nu?! Hier zijn we niet op voorbereid. Voordat ze binnenkomen sta ik zelf nog aangeslagen door het nieuws en met trillende benen in de woonkamer om het nieuws te laten inwerken, maar zodra het bestuur er is gaat er automatisch een knop om. Nieuwe kracht en energie waarvoor ik alleen God kan bedanken stroomt door mijn lichaam. Nu kan ik ze bijstaan waar nodig en zo helpen we elkaar door de week heen. Wanneer duidelijk wordt dat er een verenigingslid is overleden, één gewond geraakt en de rest zeer aangeslagen, gaan we aan de slag. We moeten ruimte maken voor rouwverwerking en daarin mag ik ze bijstaan. Langzaam wordt de onervarenheid weggenomen en maken velen voor het eerst mee wat het betekent om iemand te verliezen.
Heftig en tegelijk bijzonder om te zien hoe belangrijk het is om dit gezamenlijk te dragen. Tim was nog niet lang bij de vereniging, maar voor sommige was hij al jaren een vriend, voor anderen een pas geworden vriend en voor weer anderen een gezicht binnen de vereniging. Ondanks de verschillende relaties is het goed om te zien dat het verdriet samen gedragen wordt.
Dit is zomaar een blik in het studentenwerk van afgelopen tijd. Gelukkig is studentenwerk niet altijd zo intensief en zwaar. Het is vooral veelzijdig en dynamisch en bovenal geweldig om te doen. Toch laat het voorgaande stuk wel iets zien van de noodzaak van het studentenwerk. Studeren is niet alleen kennis opdoen in een vakgebied, het is ook jezelf voorbereiden op het leven met alles wat je daarin tegenkomt. Het is een soort oefenruimte. Alles wat hier geleerd wordt, wordt meegenomen in de rest van hun leven. Nu is rouwverwerking niet één van de meest voorkomende thema’s, maar net zoals afgelopen tijd kan dit ze wel overvallen. Andere thema’s die in deze periode veel voorkomen zijn bijvoorbeeld: geloofstwijfel, studiedruk, seksualiteit en relaties, eenzaamheid of onzekerheid. Het zijn thema’s uit het studentenleven waarbij extra ondersteuning een groot verschil kan maken.
Als ik het studentenwerk moet samenvatten, kom ik uit op drie woorden: ontmoeten, bemoedigen en uitdagen. De ontmoeting vindt overal plaats. Dit kan zijn bij een verenigingsmaaltijd of activiteit, bij mij thuis, op een borrel, in de kerk of misschien gewoon ergens in de stad. Overal vinden ontmoetingen plaats. Deze ontmoetingen vormen de basis van mijn werk. Hier wordt er gewerkt aan vertrouwen en bereikbaarheid. Tegelijkertijd laat het mij zien wat er in de vereniging speelt.
Wanneer er vertrouwen is, ontstaat er ruimte voor bemoediging en uitdaging. Dit kan op verschillende manieren; door middel van een pastoraal gesprek, coaching, een training, een lezing, een toerustingsavond, enz. Graag zoek ik naar verschillende vormen om met de student mee te lopen.
Samen met mijn collega Arjan Scheele zijn we verantwoordelijk voor het studentenwerk in Eindhoven. Wij doen dit vanuit de organisatie IFES en zijn hierin zelf verantwoordelijk voor de financiering van dit werk. Arjan is er vooral voor de internationale studenten en ikzelf voor de Nederlandse studenten. Hierin is onderscheid omdat beide een verschillende aanpak vraagt. Waarbij Nederlandse studenten zelf al een vereniging met eigen activiteiten vormen, kan ik ze dienen door ze daarin te ondersteunen en toe te rusten. Voor internationale studenten is dit anders. Als zij in Nederland komen studeren, kunnen zij zich nogal vervreemd voelen en een cultuurshock ervaren. Zij weten nog niet hoe alles hier werkt en als studentenwerker mag Arjan met ze optrekken en coachen. Hier speelt ontmoeting weer een grote rol. Door middel van leuke activiteiten met elkaar te ondernemen en ze uit te dagen om na te denken over het christelijke geloof. Het is een stukje zending in de “achtertuin”. Gewoon bij jou en mij in de stad. Studenten van over heel de wereld nemen zo weer een stukje Evangelie mee de wereld in.
Het is de bewogenheid van Jezus uit Matteüs 9:36-38 die mij enorm inspireert en motiveert voor dit werk. Het is een mooie zoektocht om samen met mijn collega met die bewogenheid zowel Nederlandse als internationale studenten te benaderen in Eindhoven en om met elkaar te delen in geloof. Onze passie gaat daarin verder dan alleen de studenten. In deze zoektocht zoeken we de verbinding met kerken en jeugdleiders en komen er ook vluchtelingen in beeld. Gezamenlijk willen we Jezus’ liefde verspreiden onder de jongeren.
IFES
IFES-Nederland is een grensverleggende beweging van (internationale) studenten die bidden, Bijbellezen en getuigen. IFES gelooft dat gepassioneerde christenstudenten in deze wereld blijvend verschil kunnen maken. Zij wil gepassioneerd en oprecht betrokken met studenten optrekken en dient studenten door ze toe te rusten, aan te moedigen, en mee te helpen.
Meer informatie is te vinden op ifes.nl en mij kun je bereiken via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. Mijn collega Arjan Scheele is bereikbaar via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

Eveline Buist
* naam is gefingeerd

Onderstaande artikel staat in de rubriek " Varia " op pagina 4 van Samen jaargang 46 no. 10

De Classis

Een van de erfenissen uit de tijd van Calvijn is de classis, een verband van lokale kerken. Enkele malen per jaar kwamen afgevaardigden van die kerken in een vergadering bijeen. Het doel was elkaar bijstaan en helpen bij het oplossen van conflicten en andere problemen. In Oost-Brabant bestonden twee classes: Den Bosch en Eindhoven (of Peel- en Kempenland). Die zijn er nog steeds, maar niet lang meer. Het was heel lang wel een mannenmaatschappij. In de kerk behoorden vrouwen te zwijgen.
Bij een moeilijke relatie tussen een gemeente en haar predikant, trachtte de classis twee dominees met elkaar te laten ruilen, vaak met succes, zodat iedereen tevreden was. Ook vroegen plaatselijke kerken soms advies als ze ergens niet goed uitkwamen. Zo was er omstreeks 1670 een vraag: wat te doen met een diaken, die zondags naar de gereformeerde kerk gaat en in de week en op heilige dagen naar de katholieke? Of met de kerkganger die onder het bidden ‘Ave Maria’ zei? Dat gedrag werd in beide gevallen uiteraard afgekeurd. De classis stelde ook zogenoemde visitatoren aan, die elk jaar een bezoek brachten aan alle kerken binnen haar gebied. Die stelden zich dan op de hoogte van de situatie ter plaatse. Wat vond de kerkenraad van de dominee en omgekeerd? Lidmaten kregen gelegenheid om hun zegje te doen. De visitatoren brachten dan verslag uit aan de classisvergadering. Soms kwam er wangedrag van een dominee ter tafel. Dat kon dan uitmonden in een schorsing van de predikant, wat ook een taak van de classis was. Maar daar zullen we het nu niet over hebben. Er kwamen ook minder belangrijke zaken aan de orde. Zoals in 1703 toen een dominee gepreekt had in zijn werkplunje. Dat was niet betamelijk volgens de classis, preken moest in een ‘statelijk gewaad’.
De classis sloeg de kerken aan voor bijdragen om noodlijdende buitenlandse protestantse kerken te helpen, o.a. in Duitsland, Polen, Litouwen, Egypte en te Philadelphia in Amerika, alsmede voor mensen die gevangen waren en als galeislaaf werkten, zodat zij konden worden vrijgekocht. De classes hebben eeuwenlang goed gefunctioneerd. Na de vergadering ging men vaak samen eten, waarbij de wijn overvloedig werd geschonken.
In 1677 sloot de classis Eindhoven zich aan bij een voorstel van de Zuid-Hollandse synode betreffende de omgang met Joden. Er was geen sprake van antisemitisme, al was het doel wel de bekering van Joden. Verachting van Joden en hen uitschelden was uit de boze. Predikanten behoorden zich volgens de classis te bekwamen in het Hebreeuws en in de preken moest aan de gelovigen de kernpunten van het Oude Testament onderwezen worden. Bij de classicale examens die een kandidaat in de theologie moest afleggen, na zijn studie en opnieuw als hij een beroep had gekregen, moest onderzocht worden of hij zich voldoende thuis was in het Hebreeuws. Ook werd aan predikanten gevraagd om rabbijnen uit te nodigen voor een vriendelijk gesprek over Mozes en de profeten, de beloften aan Abraham, de Messias, en andere onderwerpen.
Moslims werden in Brabant niet gevonden. Van oecumene met de katholieken was geen sprake. In de dagelijkse omgang werkten gereformeerden en katholieken echter broederlijk samen. Maar daarover een andere keer.

Gerard van Gurp

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Toerusting" op pagina 5 van Samen jaargang 46 no. 10

Luther en het Westers schisma, een tragedie?

Op 30 november a.s. zal em. prof. dr. Joop Boendermaker een lezing uitspreken onder de titel ‘Luther en het Westers schisma, een tragedie?’
Over de lezing
Prof. Boendermaker is nationaal en internationaal bekend om zijn publicaties over en vertalingen van het werk van Luther.
Voor een goed begrip van deze ook nu nog zo actuele geschiedenis moeten we naar het Rome van Luthers tijd, toen een aantal pausen uit het machtige Florentijnse geslacht der Medici, op macht belust was, maar ook bezeten van de op de klassieken geïnspireerde kunst en het zoeken naar de bronnen van de cultuur. Dat laatste was een van de wezenlijke kenmerken van die tijd, denk aan filosofen als Erasmus, zonder wie Luther niet aan zijn vertaling van het Nieuwe testament had kunnen beginnen. In Rome vertaalde dat zich vooral in steen en kleur. Kerken als de Sint Pieter en werken van groten, als Raphael en Michelangelo, worden nog steeds door ons bewonderd.
Maar zowel macht als kunst, kostten handenvol geld, dat er natuurlijk nooit was. Dat leidde tot ook toen al betreurde misstanden, waarover Luther een academisch debat wilde starten en waarvoor hij zijn stellingen ontwierp. Die werden zo snel verspreid, dat de Wittenbergse beek tot een ontembare rivier aanzwol.
Die verspreiding, mogelijk dankzij de boekdrukkunst, is een van de dingen die het begin van de zestiende eeuw zo dicht bij de huidige tijd brengt: hele menigten begonnen te lezen en de schok, veroorzaakt door de snelle verspreiding van informatie en het ontstaan van vele contacten, is te vergelijken met wat we nu meemaken.
De gevolgen van zijn actie overrompelden Luther, maar hij gebruikte de nieuwe mogelijkheden ook voor wat hij als zijn roeping zag en waarbij hij in de lijn van de traditie een theologie ontwikkelde, waar Protestant en Katholiek nog steeds niet klaar mee zijn.

Over de spreker
Johannes Pieter (Joop) Boendermaker (1925) studeerde theologie aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Friedrich-Alexander Universität in Erlangen (als stipendiaat van de Alexander von Humboldt-Foundation).
Van 1951-1963 was hij evangelisch-luthers predikant in Eindhoven en van 1964-1969 in Naarden-Bussum.
Een in Eindhoven begonnen promotieonderzoek rondde hij na een verblijf aan de universiteit van Heidelberg af in 1965 met een promotie bij prof. dr. W.J. Kooiman, op het thema ‘Luthers commentaar op de brief aan de Hebreeën’.
In 1969 werd hij benoemd aan het Evangelisch-Luthers Seminarium, waar hij tot zijn emeritaat in 1995 bleef. Van 1990-1995 was hij bijzonder hoogleraar liturgiewetenschap aan de Vrije Universiteit. Net als Kooiman voor hem, vond hij de vertaalslag van de wetenschap naar kerk en maatschappij belangrijk. Dit resulteerde in vele lezingen, publicaties, en een actieve rol bij de dialoog tussen de Lutherse Wereldfederatie en de Rooms-Katholieke Kerk.
In zijn onderwijs legde Boendermaker de nadruk op het lezen en bestuderen van Luthers teksten, korte hoorcolleges dienden ter verduidelijking van de context. Een innovatief concept, want het lezen van Luthers oudtestamentische preken werd toen nog niet op waarde geschat als bron voor Luthers theologie.

Meer informatie
De lezing wordt georganiseerd door het Academisch Genootschap.
Ook niet-leden kunnen zich aanmelden.
Plaats: Parklaan 93, 5613 BC Eindhoven
Tijd: 30 november om 20.00 uur
Zie ook: www.ag-eindhoven.nl/boendermaker

Onderstaande artikel staat in de rubriek " Zorg samen" op pagina 5 van Samen jaargang 46 no. 10

Het hiernamaals.

‘Het hiernamaals is de grootst mogelijke kolder die ooit verzonnen is,’ begint de 78 jarige man onmiddellijk als ik me aan hem heb voorgesteld. We hadden nog geen woord gewisseld. Hij heeft zojuist van de dokter gehoord dat hij niet meer lang te leven heeft, waarna de verpleging mij vroeg hem te bezoeken. Na deze kordate uitspraak geeft hij aan geen behoefte te hebben aan een gesprek, hij heeft niets met de kerk en gelooft nergens in, zegt hij. Ik leg uit dat ik niet namens een kerk kom en hem niet van iets probeer te overtuigen. Ik ben er om te horen hoe het met hem gaat na de mededeling van de arts. Hij blijft bij zijn standpunt dat er niet over gesproken hoeft te worden, nu niet, en later ook niet. Ik mag niet terugkomen. Ik geef zijn reactie terug aan de betreffende verpleegkundige met de vraag om alert te blijven.
Meteen daarna ga ik naar de mevrouw voor wie ook gebeld werd. Ook zij is 78 jaar en heeft niet lang meer te leven. Ze zal naar een hospice gaan. Ze vertelt me haar levensverhaal waarin veel verdriet voorkomt. Het diepste dal was de periode nadat haar enige dochter tijdens de bevalling van haar vierde kind overleed. Mevrouw was toen zelf juist weduwe geworden en stond naast haar schoonzoon voor de taak vier kleine kinderen, waaronder de baby, zo goed mogelijk op te vangen. Ook deze periode kenmerkt zich door verdriet en tegenslagen. Nu is ze zelf aan het einde van haar leven. Haar troost is de gedachte dat ze na ruim twintig jaar weer met haar overleden dochter verenigd zal worden. Ze vertelt hoe ze tot dat geloof is gekomen. Toen haar broer stierf, hij was geheel verlamd, reikten plotseling zijn verlamde armen omhoog. Zijn gezicht straalde. Beschroomd zegt ze dat hij op dat moment zijn overleden kinderen moet hebben gezien. Die gedachte is nu haar troost bij haar eigen sterven.
Een week later vertelt een jongere vrouw die een riskante operatie moet ondergaan een soortgelijk verhaal. Ze is zich ervan bewust dat de operatie mogelijk niet goed zal aflopen. Het doet haar veel verdriet dat in dat geval haar man en kinderen zonder haar verder moeten, en ook voor haarzelf is de gedachte heel verdrietig dan niet meer bij hen te zijn. Maar bang om te sterven is ze niet. Ze vertelt over haar oude, stervende moeder, een vrouw met diepe rimpels in haar gezicht die tekenen wat ze heeft meegemaakt. Toen moeder stierf, veranderde haar het gezicht in dat van een jong meisje: stralend, gelukkig, zonder rimpels. Toen blies ze haar laatste adem uit. Met dit beeld voor ogen durft mevrouw de operatie in te gaan. Ze is ervan overtuigd na de dood een andere werkelijkheid te zullen betreden waar alles goed is, beter dan we ons nu kunnen voorstellen. Deze gedachte geeft haar kracht om de operatie aan te durven.

Het hiernamaals, kolder of kracht.

Berthilde van der Zwaag.
Geestelijk verzorger MMC.

Onderstaande artikel staat in de rubriek Redactie" op pagina 8 van Samen jaargang 46 no. 10

Studentenpastoraat en verder?

Margit geeft in haar artikel een boeiende beschrijving van wat studentenpastoraat is. Net als bij de geestelijke verzorging staat dit pastoraat een beetje naast de kerk. Het mag zich ook niet teveel als een activiteit die vanuit de kerk gesteund wordt profileren. Niet voor niets zijn de banden met de kapel (ESK) nu – formeel – los gemaakt om nog eens te onderstrepen dat studentenpastoraat iets is van de universiteit en niet van de kerk. De ESK was al lang geen studentenkerk meer. Studenten trof je niet of nauwelijks in de vieringen van de ESK aan. Hoe de identiteit van die groep zich verder zal ontwikkelen zullen we nog moeten zien.

Waardering voor het studentenpastoraat in Eindhoven blijkt wel uit het feit dat TINT nu gevraagd wordt een belangrijke rol te spelen in de opzet en uitbouw van een bredere zingevingsactiviteit van de universiteit. Bij het overdenken daarvan komt de vraag weer boven wat de rol van de kerk op deze terreinen in de toekomst zal zijn. Het studentenpastoraat (en dat geldt feitelijk ook voor de geestelijke verzorging) zal zich niet beroepen op een intensieve band met de kerken en zeker het woord ‘missionair’ niet in de mond nemen, want dat is strijdig met zijn positie in de instelling waarvoor hij werkt. Dit pastoraat ontwikkelt zich tot zingevingsadviseur, waarbij religieuze zingeving natuurlijk wel een belangrijke rol speelt maar niet gezien mag worden als een bewuste verkondiging van het evangelie als ‘het woord voor de wereld’. In hun werkwijze speelt de interactie met andere religies en culturen een belangrijke rol.

Anders is dat in IFES en de SSR-Nu die beiden uitstralen dat zij wel degelijk ‘een woord voor de wereld’ hebben. Evelien geeft een inkijkje in IFES, een op studenten gerichte organisatie met een markante christelijk religieuze identiteit. In de column van Marina van Silfhout wordt de Utrechtse SSR beschreven (SSR NU) die ook een duidelijk christelijke levensbeschouwing uitstraalt die het studentikoze spelgedrag, dat daar ook ruimschoots aanwezig is, kleurt.

Onlangs werd door het beraad grote steden een conferentie georganiseerd over de missionaire rol van de kerk. Ook daar kwam een weinig heldere boodschap uit naar voren. Het is alsof de kerk zich geneert voor wat men dan noemt het ‘zieltjes winnen’, en dat terwijl wij hier in het westen nooit christen zouden zijn geworden als de kerk van toen niet missionair actief was geweest.

Ook de maatschappelijke discussie over gelijkberechtiging van godsdiensten remt alle spreken over missie af. Ieder op eigen terrein, maar geen werving daarbuiten. Wij hadden een woord voor de wereld, maar het is er nu alleen nog maar voor onszelf. Het streven is om godsdiensten met belangstelling naar elkaar te leren luisteren zodat zij vredig naast elkaar zullen bestaan maar op geen enkele wijze grensoverschrijdend wervend werken.

Het naar buiten treden gebeurt momenteel nog wel in de vorm van diaconaat. Maar ook daar – zo bleek uit een recente discussie over een artikel van Leo Steinhauzer in SAMEN – mag het niet gaan om ‘zieltjes winnen’. Zullen we het woord missionair dan maar schrappen, of moeten we daar een heel nieuwe interpretatie aan toekennen ?

Het zou goed zijn als de publicaties in SAMEN over studentenpastoraat en in een volgend nummer over geloofsoverdracht en straks over de kerk in de toekomst stimuleerden tot een indringende discussie in onze gemeenten over de vraag of wij wel een ‘woord voor de wereld’ hebben. Of mogen we alleen maar over zingeving praten en verder ieder zijn of haar zin geven zelfs in de opvoeding ?

Redactie SAMEN

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Studentenpastoraat" op pagina 9 van Samen jaargang 46 no. 10

Studeren is een nieuwe levensfase.

De adolescentie is de fase waarin je groeit naar de volwassenheid.

Student zijn betekent vaak dat je op kamers gaat en nieuwe horizonten gaat ontdekken.

Je maakt een keuze voor een bepaalde studie, maar dat is lang niet altijd meteen de juiste keuze.

Zo kan het een hele zoektocht zijn in een nieuwe wereld, waarin je op ontdekkingsreis bent naar je mogelijkheden en onmogelijkheden.

Je maakt nieuwe vrienden en in een studentenstad is er de mogelijkheid om je aan te sluiten bij een studentenvereniging. Een soort leefgemeenschap, die je vormt en waar je gezelligheid kunt ervaren en contacten en vriendschappen kunt opbouwen en waar je zelfs een levenspartner kunt vinden.

Als ouder van een kind leer je gaandeweg je kind steeds meer loslaten. En dan kan het fijn zijn, als je als ouder getracht hebt je kind in het geloof te doen opgroeien, dat er zo iets bestaat als een christelijke studenten gezelligheidsvereniging.

In Utrecht is dat S.S.R. - N.U. oftewel Societas Studiosorum Reformatorum nieuwe afdeling Utrecht.

Zelf ben ik vroeger ook lid geweest en los van alle verschillen met toen, zijn er nog steeds bijbelkringen, lezingen, disputen, aandacht voor en omzien naar de wereld en de mogelijkheid om van gedachten te wisselen met medestudenten met allerlei verschillende achtergronden.

Zoals je in de kerk gevormd en gesteund wordt in je geloof, biedt ook zo’n vereniging hier mogelijkheden toe. Daarnaast is er ook gewoon het heel gezellige studentenleven.

Vorming en gezelligheid zijn nog steeds de basis van de vereniging.

De verscheidenheid van de leden zie je terug in open discussies, waarbij er veel verschillende opvattingen over het geloof en over de wereld om ons heen aan de orde komen. Het kleinschalige en betrokken karakter van de vereniging brengt met zich mee dat dit alles veel  gespreksstof aan de bar oplevert, maar ook een breed aanbod van kringen, waarbij er dieper op de bijbel of op maatschappelijke onderwerpen wordt ingegaan.

Als ouders hebben wij het positief ervaren, dat er zo een studentenwereld is waar je kind nog steeds betrokken is op geloof, kerk en wereld en deze zoektocht zo met andere zoekenden kan gaan.

Marina van Silfhout-Bezemer

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Dienen" op pagina 9 van Samen jaargang 46 no. 10

Uitspraak van het Europese Hof van Justitie

Op 10 mei 2017 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie een belangrijke uitspraak gedaan over ongedocumenteerde ouders van kinderen met de Nederlandse nationaliteit. De uitspraak is genoemd naar een onrechtmatig verblijvende ouder van een Nederlands kind: Chavez Vilchez. Kort gezegd houdt deze uitspraak in dat mensen zonder verblijfsvergunning die een kind hebben met Nederlandse nationaliteit veel gemakkelijker een verblijfsvergunning kunnen krijgen. Bij Vluchtelingen in de Knel zijn we heel blij met deze uitspraak en het biedt veel mogelijkheden voor onze cliënten!
In de uitspraak oordeelde het Hof van Justitie dat het een schending van Europees recht is als een ouder uitgezet wordt terwijl er een kind in beeld is met de Nederlandse (en dus Europese) nationaliteit en het kind risico loopt dat hij/zij met zijn ouder naar het land van herkomst moet terugkeren. Na de Chavez uitspraak mogen ouders van kinderen met Nederlandse (EU) nationaliteit een beroep doen op het feit dat het in het belang van het kind is dat beide ouders, ook de onrechtmatige ouder, in Nederland verblijven. Scheiding van een van de ouders kan schadelijk zijn voor het kind. De ouder zonder verblijfsvergunning moet dus een Nederlandse verblijfsvergunning krijgen als hij/zij kan aantonen van belang te zijn in het leven van het kind. De vragen die dan spelen zijn: is er omgang tussen de ouder zonder verblijfsdocumenten en kind, is het kind in een bepaalde mate afhankelijk van de ouder zonder verblijfsdocumenten, speelt de ouder zonder verblijfsdocumenten een (belangrijke) rol in het leven van het kind? Als hier allemaal ‘ja’ op geantwoord kan worden, dan is de kans groot dat de ouder zonder papieren in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning.
Wij gaan de komende weken hard aan de slag om te kijken wie van onze cliënten hiervoor in aanmerking komt. We gaan met deze cliënten zo snel mogelijk nieuwe procedures starten zodat ze hopelijk rechtmatig verblijf krijgen in Nederland en bij hun kinderen kunnen verblijven.

Anoeshka Gehring,
Vluchtelingen in de Knel

Oktober 2017 - met thema: Een(s) worden. Lees meer...

Onderstaande artikel staat in de rubriek " Een(s) worden " op pagina 2 van Samen jaargang 46 no. 9

Twee visies op een(s) worden

Allereerst citeren wij een gedeelte uit een inleiding van Hans van den Hende, voorzitter van de Nederlandse bisschoppenconferentie, die hij op 18 maart jl. in Nieuwkuijk uitsprak tijdens een oecumenisch herdenking van de Reformatie, onder het motto ‘Gaandeweg één, Impulsen voor oecumenische vooruitgang’.

Christelijke eenheid is niet bereikbaar los van Pinksteren. En omdat de voortgang in de oecumene op de eerste plaats het werk is van de heilige Geest, zijn we als christenen op de weg naar eenheid nooit zonder hoop. In dit kader denk ik dat de hoop werkelijk fundamenteler is dan optimisme, als het gaat om verder te komen op de weg naar de eenheid van de christenen.

In de Efeziërsbrief staat de aansporing: ‘Beijver u de eenheid des Geestes te behouden door de band van de vrede: één lichaam en één geest, zoals gij geroepen zijt tot één en dezelfde hoop waarvoor Gods roeping borg staat. Één Heer, één geloof, één hoop’. (Ef. 4, 3-5). Op de weg naar christelijke eenheid helpt de heilige Geest ons steeds opnieuw om tot een echte oecumenische dialoog te komen. Wat zijn de elementen van een echte oecumenische dialoog?


(1) kennis en ondervinding van de eigen geloofsovertuiging en identiteit;
(2) oprechte interesse in de ander met wie je de dialoog aangaat;
(3) overtuiging dat in deelnemers aan de dialoog de heilige Geest werkzaam is.

We zijn m.i. met achterlating van ons leven en onze geloofsovertuiging niet echt naar de ander op weg, maar juist met medeneming daarvan. In de oecumenische dialoog vragen we dit ook van andere christenen die onze gesprekspartners zijn. Ook aan hen vragen we niet om hun geloofsovertuiging achter te laten, maar juist om die ten volle in te brengen in het oecumenisch geloofsgesprek, in het gelovig vertrouwen dat de heilige Geest spreekt in zowel hun spreken als in dat van ons.

Het is God zelf die met zijn Geest steeds opnieuw de hoop in ons aanwakkert opdat wij niet kiezen voor een snel compromis (onze eigen planning) maar dat wij de lange adem weten op te brengen om werkelijk onze verdeeldheid te boven komen, in het geloof dat Christus voor en met ons bidt om eenheid.

Hubertus Blaumeiser (kenner van de theologie van Martin Luther – red.) gebruikt het beeld van een nieuw kleed, het nieuwe kleed van de christenheid in plaats van een lappendeken. Graag bid ik mee om de christelijke eenheid te bereiken die alleen Christus ons kan geven; waarbij het werk van de Geest en ons mensenwerk intens op elkaar betrokken zijn om zo te komen tot één Kerk waarin sprake is van zowel geestelijke als zichtbare eenheid, tot eer van God en tot heil van alle mensen.

Daarnaast citeren we een ander geluid uit een artikeltje van Janneke Stegeman - Theoloog van het jaar 2016 - in Centraal Weekblad van 21 juli 2017:

Degenen die Jezus volgen vormen samen een gemeenschap, zo vertellen ons de verhalen van het nieuwe testament. Wat voor gemeenschap is dat eigenlijk? Een ideale misschien? Er is veel voor te zeggen niet eens te streven naar een ideale gemeenschap, maar te leren omgaan met verschillen.

Handelingen 4 schetst het ideaal van een eenstemmige gemeenschap. Zo was het niet, kunnen we met een gerust hart zeggen. Dat geldt voor wel meer Bijbelse verhalen. Die vertellen niet zozeer hoe het was, maar hoe het had kunnen zijn.

In Handelingen schetst Lucas op een dramatische manier het begin van de beweging van  volgelingen van Jezus – in Handelingen overigens allemaal joden, die de tempel blijven bezoeken.

Hun eerste taak is het verspreiden van de goede boodschap, en dat gebeurt via gemeenschap. Van die gemeenschap schetst Lucas een idyllisch beeld. Zelfs in Handelingen duurt die idylle maar even. Dan ontstaan er interne conflicten en externe problemen met de autoriteiten. Dat leidt tot vervolging – een belangrijk element in het boek Handelingen. Lucas vertelt het verhaal van een gemeenschap, die sterk genoeg moest zijn om vervolging aan te kunnen, en zelfs groeide.

Meetlat

Ondertussen leeft er in het Christendom iets voort van die idylle als meetlat. Het heeft een hoog ‘hier-is-het-niet-gehalte’, omdat het leven nooit zo idyllisch is. Het heeft een hoog afbrandrisico ook, want je leeft met een doel dat onhaalbaar is. Al te hoog gestemde idealen kunnen bedekkend en fnuikend werken: mag imperfectie en falen er zijn, als de lat zo hoog ligt?

Ik vraag me af of het eigenlijk wel iets is om naar te verlangen, dat type gemeenschap. Je moet niet al te goed weten waarnaar je op weg bent, volgens mij. Het risico daarvan is dat je je ogen niet meer goed open houdt voor wat er nu is en zich voordoet, en gedaan moet worden.

Wat gebeurt er bijvoorbeeld met de kritische types in een al te ideale gemeenschap? En met mensen die hun aarzelingen en twijfels uitspreken? Eerder dan dat we het eens zijn, komt het erop aan dat we het oneens kunnen zijn op een vruchtbare manier. Als iedereen zich vrij voelt zich uit te spreken. Als we elkaar kunnen aanspreken op onze verantwoordelijkheden. Als we durven leren – en daarbij hoort de stap van twijfel, van kritiek verwoorden.

Dat betekent dus dat jij het moet zeggen als je het niet met me eens bent, en dat ik dan de moed opbreng om naar je te luisteren – als ik er klaar voor ben. Dat verdeeldheid per se niet wenselijk is en polarisering slecht, vind ik een onzalig idee. Zalig zijn de vredestichters, ja maar onzalig zijn degenen die een vruchtbare discussie in de kiem smoren. Onzalig zijn degenen die alle onenigheid onder het tapijt vegen. Ik verlang naar vruchtbare onenigheid.

Het zou niet goed zijn beide geciteerde stukken te zien als beschouwingen over de oecumene. Het eerste stuk spreekt expliciet over oecumene, het tweede meer in algemene zin over meningsvorming in kerkelijke gemeenschappen. Toch raken ze een samenhangende problematiek. In een volgend artikel gaan we diezelfde problematiek nog eens belichten vanuit een bedrijfskundige visie op fusies en samenwerkingsverbanden.

We eindigen niet met een alles omvattende conclusie, maar met een impuls om verder na te denken.


Onderstaande artikel staat in de rubriek "Een(s) " op pagina 3 en 4 van Samen jaargang 46 no. 9

Een(s)worden ?

Twee artikelen : daar opent SAMEN deze maand mee. Het eerste is een warm pleidooi voor oecumene en eenheid van kerken. Het tweede pleit voor meer discussie over uiteenlopende standpunten: ‘eerder dan dat we het eens zijn komt het erop aan dat we het oneens kunnen zijn op een vruchtbare manier’.

Wellicht is het zinvol om de vraag naar ‘een(s)worden’ eens te benaderen vanuit ervaringen bij  organisaties buiten de kerk. Veel mensen aarzelen om die stap te maken. Natuurlijk is er een groot verschil tussen de zakelijk ingestelde organisaties en ideële gemeenschappen zoals de kerk. Toch zijn er parallellen. Beiden zijn structureringen van menselijk handelen. Beiden hebben faciliteiten (en geld daarvoor) nodig om hun doelen te bereiken. Beiden kennen bestuursvormen die erop gericht zijn de organisatieleden gezamenlijk doelen te laten bereiken. Wellicht kunnen daarom beide organisatievormen toch wel iets van elkaar leren.

Eerst iets over het eenwordingsstreven van organisaties. Er is veel gezegd en geschreven over het nut en effect van fusies en samenwerkingsverbanden tussen bedrijven. In grote lijnen kan men zeggen dat 70% van fusies leidt tot waardevermindering van het geheel van bedrijven dat in de fusie betrokken is. Dat wil niet zeggen dat fusies zinloos zijn, maar er moet rekening mee worden gehouden dat er tegenover de doelen die men met de fusie wil bereiken nadelen staan die veroorzaakt worden door een complex van factoren. Ook in kerkelijke organisaties ziet men vaak dat fusies van gemeenten leiden tot vermindering van de kerkgang met ca 20%. Kerkelijke inkomsten zijn meestal geen optelsom van de inkomsten van beide fuserende delen. In veel gevallen bij benadering niet.

Maikel Batelaan en Fred van Assen schreven destijds en alleraardigst boekje over problemen bij fusies. Zij gaven het de veelzeggende titel  “10 manieren om fusies te verknoeien”.  Niet alle genoemde factoren zijn relevant voor de kerkelijke organisaties. We noemen er twee die mogelijk wel relevant zijn:

  • Integreren wat niet gelijkwaardig is. Batelaan en van Assen beschrijven de problemen die ontstaan wanneer grote bureaucratische organisaties kleinere dynamische en innovatieve bedrijven willen overnemen. Doel van dat samengaan is het stimuleren van bureaucratische organisaties om meer innovatief en ondernemend te worden en om kleine organisaties te helpen om hun ideeën op grotere schaal nuttig te maken. Het gevolg evenwel is vaak dat de ondernemende organisatie vastloopt in de onwennige bureaucratie en dat de bureaucratische organisatie geen raad weet met het impulsieve gedrag van de kleine onderneming. Op het symposium “gaandeweg één”, waaraan in het eerste artikel wordt gerefereerd kwamen verschillende kerkelijke denominaties aan het woord. Hoewel allen pleiten voor een vorm van eenheid wordt tegelijk duidelijk dat de wijze van kerk zijn van bijvoorbeeld een Pinkstergemeente sterk verschilt van die van een plurale PKN stadskerk . De diversificatie van migrantenkerken is evenmin een goede conditie voor eenwording. Alleen al in de Amsterdamse Bijlmer zijn er 150 verschillende kerken(door de politie met waardering ’pareltjes’ genoemd), vaak gerelateerd aan verschillende nationaliteiten. Samenvoegen kan ook veel kapot maken.
  • Het onderschatten van cultuur en structuur verschillen. Wanneer organisatie (dus ook kerken) langer bestaan ontstaan er gewoonten en opvattingen, die het gedrag tussen mensen regelen en die gemeenschappelijk gedeelde opvattingen steunen. Bij fusies worden deze cultuurverschillen nogal eens onderschat en soms zelfs genegeerd en weggeredeneerd. Dat leidt tot spanningen vooral daar waar samengewerkt moet worden. Het is naïef te denken dat een hiërarchische structuur zoals de katholieke kerk die kent kan integreren met een meer platte organisatie die men in protestantse kringen veelvuldig tegenkomt. Natuurlijk kunnen katholieken en protestanten veel van elkaar leren en op bepaalde gebieden samenwerken :stadsdiaconaat is een goed voorbeeld daarvan en ook het overnemen van elkaars rituelen kan bevruchtend werken. Maar integreren zou betekenen dat bijvoorbeeld de katholieke kerk haar hiërarchische bouwwerk zou moeten afbreken en dat is niet waarschijnlijk. Bij het streven naar oecumene mag best wat meer aandacht voor die beperkende randvoorwaarden zijn. Samenwerken is veelal beter dan samenvoegen.

Het tweede deel van dit artikel heeft betrekking op besluitvorming. Het pleidooi van Janneke Stegeman voor meer dialoog en debat en erkenning van het nut van meningsverschillen sluit aan op een andere ervaringen in buitenkerkelijke organisaties. Grote bedrijven in Nederland hebben jaren geleden de Stichting Management Studies opgericht. Dat is een Stichting die jaarlijks een of twee publicaties het licht doet zien. Die publicaties geven op onderzoek gebaseerde beschouwingen over actuele ontwikkelingen in het bedrijfsleven. Een van die onderzoeken richtte zich op de vraag waarom managers foute beslissingen nemen. Een van de belangrijkste oorzaken van foute beslissingen bleek te bestaan uit twee samenhangende faktoren : de dominantie van de groepsdiscipline (‘groupthink’ in vaktermen) en het “ontbreken van tegen-denken” (‘countervailing power’ in vaktermen). te zijn.

Groupthink is een verschijnsel dat we vaak in management teams  aantreffen : de groep wordt onder druk gezet om met éen gezicht naar buiten te treden en met één mond te spreken. Groepsleden moeten geheim houden wat er in de beleidsvergadering gezegd wordt en niets laten blijken van een eventueel eigen afwijkend standpunt. Het management moet als eenheid optreden. Tegenargumenten ontbreken of werden niet gehoord of weggemoffeld. Dat geeft houvast, zo denkt men. Ook in kerkenraden komt men dit tegen. Gemeentevergaderingen zijn bij group think bijeenkomsten om het resultaat van ‘group think’ van de kerkenraad te verkopen en niet een bijeenkomst georganiseerd omdat men nieuwsgierig is naar alternatieve denkbeelden.

De  tweede daarmee samenhangende factor die oorzaak kan zijn van foute beslissingen is het ontbreken van of doodzwijgen van tegendenkers (countervailing power). Management teams leggen in zo’n geval vooral hun oor te luisteren bij medestanders, bij adviseurs die hun denkrichting bevestigen en versterken. Tegendenkers worden bij voorkeur buiten de feitelijke besluitvorming gehouden. Soms kan men niet om ze heen, maar in zo’n geval wordt ervoor gezorgd dat het tegen-denken “niet veel kwaad kan”. en geneutraliseerd wordt. Ook in de kerken wordt vaak selectief geluisterd naar voorstanders van oecumene en een(s)wording waardoor waardevolle verschillen worden onderschat of zelfs genegeerd.

Oecumene wordt alom gepredikt als een christelijk antwoord op Jezus gebed “opdat zij alleen een zijn”. Die geloofseenheid in Christus dient organisatorische en institutionele verschillen die in de loop van de tijd ontstaan zijn te overstijgen. Dat die organisatorische en culturele verschillen tussen geloofsgroepen ook wel eens als verrijkend kunnen worden beschouwd wordt nogal eens over het hoofd gezien. Samenwerking en het leren bij en van elkaar is in de rijk geschakeerde wereld van christenorganisaties waardevol en dient te worden nagestreefd. Samenvoeging is soms zinvol, maar niet altijd de beste weg. De eenheid in Christus kan organisatieverschillen toch wel overschrijden.

Begin volgend jaar wil de redactie van SAMEN een themanummer over de toekomst van de PGE uitgeven. In dat nummer worden gemeenteleden uitgenodigd om over die toekomst mee te denken. In dat denken komt natuurlijk ook de mogelijke relatie tot andere kerkgemeenschappen aan de orde, hetzij in de vorm van oecumenische samenwerking, hetzij door samenvoeging van kerken. Er staat veel op het spel. Het gaat om Gods gemeente, die een verhelderend licht en smaakmakend zout moet zijn. We zullen opnieuw moeten nadenken over de identiteit van die kerk. Voor dat denken is inspiratie nodig, visie gevoed door hoop. Daarnaast is analyse nodig over wat we zijn, wat we aankunnen en wat er in onze omgeving gebeurt. Dit themanummer wil uitnodigen om alvast te beginnen met dat nadenken over onze toekomst .

Jan Scheurer

Onderstaande artikel staat in de rubriek " Bestuurlijk nieuws " op pagina 4 van Samen jaargang 46 no. 9

Weer aan het werk…

Op 16 september kwam de RCBB, het Regionaal College voor de Behandeling van Beheerszaken, op bezoek tijdens hun jaarlijkse kerkentocht. Op deze zaterdag bezochten 13 leden van het college de protestantse gemeenten van Someren, Geldrop en Eindhoven. We ontvingen hen met een afvaardiging van AK en wijkkerkenraden in de Ontmoetingskerk. De RCBB heeft formele verantwoordelijkheden, zoals het toezien op goede financiële processen, jaarrekeningen en begrotingen van gemeenten. En vaak komen ze langs als adviseur of probleemoplosser wanneer het niet goed gaat in een gemeente met het vermogen of het vermogensbeheer.

Zo niet deze zaterdag. De leden wilden juist langskomen op een moment dat er geen problemen zijn. We spraken over het elan in de wijkgemeenten van de PGE, de startzondag van de Ontmoetingskerk met 150 aanmeldingen voor het ontbijt, de goede samenwerking in de diaconie, en we bekeken de nieuwe blokhut met ruimte voor de jeugd en ruimte voor een goed gesprek. En we spraken over samenwerking. Zoals ik in vorige Samen ook schreef is dat gebaseerd op wat mensen gezamenlijk drijft, waar ze hun passie en bezieling uit halen, waar ze hun hart en hun tijd voor in willen zetten. En wat drijft ons dan in de PGE? ‘Dat is toch samen christen zijn’, kan een voor de hand liggend antwoord in de kerk zijn. Niettemin, de geschiedenis heeft op wereldschaal en op lokale schaal laten zien dat christenen hun geloof op heel verschillende manieren kunnen beleven en geloven. Ook in de PGE. En dat betekent dat we met elkaar moeten praten over wat ons drijft, wat we geloven, waar onze verwachting is, waar onze zorgen zijn. Vandaar uit leren we elkaar verstaan en begrijpen. En dan kunnen we samenwerken op de overeenkomsten en respect hebben voor de verschillen. Later dit jaar gaan de wijkkerkenraden hierover met elkaar spreken.

Tot slot kwam in het gesprek met de RCBB ook de ‘organisatievorm’ van de kerk aan de orde. In de PGE, met drie wijkgemeenten, is die nu relatief zwaar opgetuigd. Een voorbeeld: een kerkrentmeester die van vergadertijgeren houdt, kan zitting nemen in de wijkkerkenraad, het wijkcollege van kerkrentmeesters, het college van kerkrentmeesters en de algemene kerkenraad, indien gewenst aangevuld met één of meerdere moderamina. Nu zijn de meeste mensen niet van die vergaderliefhebbers… Ons staat dus voor ogen de bestuurlijke drukte op centraal niveau te verminderen en de besluitvormingslijnen korter te maken. Dat betekent dat de wijkgemeenten meer onderling met elkaar zullen moeten regelen of voorbereiden. Tegelijkertijd geeft hen dat ruimte en ontwikkelen ze daarmee meer eigenaarschap. Hoe we dat precies gaan doen, daar moeten we nog over vergaderen ;-).

Nu alle wijkgemeenten weer van start zijn gegaan, wens ik u allemaal een heel goed kerkelijk jaar toe!

Hartelijke groet,

Benjamin Jansen

Onderstaande artikel staat in de rubriek " In de Cathrien " op pagina 4 van Samen jaargang 46 no. 9

Evensong in de Cathrien!

Zondag 15 oktober 17.00 u
Capella Vesperale
o.l.v. gastdirigent Fred Vonk,
Gerard Habraken, orgel
Voorganger Bernadette van Litsenburg

Op zondag 15 oktober heeft de maandelijkse Evensong een prachtig thema: wijsheid en de weg ernaartoe. De eerste stap naar wijsheid is het vergaren van wijsheid. Daarbij is het belangrijk om te leren onderscheiden wie onvervalste waarheid spreken en wie de waarheid verdraaien voor hun eigen doeleinden.(Spreuken 4: 1-18, 1 Johannes 3: 16 – 4: 6). Ook in de psalmen die worden gezongen wordt gesproken over de juiste weg en de valkuilen die daarin zijn verborgen. De muzikale invulling van de Evensong is als volgt. Het Magnificat en Nunc Dimittis in d zijn van Walmisley. Het processielied is ‘Angelvoices ever singing’ op een tekst van Francis Pott en een harmonie van E.G. Monk. Het zondagslied is ‘Jezus ga ons voor’ en het slotlied is ‘Be Thou my vision’. Daarnaast klinkt het schitterende Abendlied van Rheinberger.

De Chants (gezongen Psalmen) zijn de psalmen 142 en 143 in een zetting van William Cross en Robert Cooke. De vaste gezongen gebeden zijn op een zetting van Ayleward. De Evensong wordt geopend en afgesloten met toepasselijk orgelspel.

De Capella Vesperale verzorgt de gezongen onderdelen van de Evensong, onder leiding van gastdirigent Fred Vonk. Het orgel wordt bespeeld door Gerard Habraken. De voorganger is Bernadette van Litsenburg.
Voor informatie over de volgende Evensong verwijzen wij naar de website www.koorvespers.dse.nl. Informatie over de orde van dienst kunt u een week voorafgaand aan de dienst vinden op www.koorvespers.dse.nl.

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Varia " op pagina 5 van Samen jaargang 46 no. 9

Moderne communicatie

Op het vliegveld is moderne communicatie alom tegenwoordig. Gratis, onbeperkt en snel internet. Op schermen wordt de laatste vluchtinformatie gegeven, en inchecken kan ook via het internet. Bijna iedereen heeft een smartphone, en overal zie je mensen met een laptop. Vaak ga ik in de aankomst hal zitten, tussen de afhalers. Daar is altijd veel te zien, er gebeurt op die plek veel tussen mensen. Ook daar is de moderne communicatie volop aanwezig. Er wordt druk geappt, en de mededelingen worden doorverteld. “Ze zitten nu nog in de lucht”, “het kan nog wel even duren”, “de landing is ingezet”, “ze staan bij de bagageband”. Of ze zitten klaar om de aankomst en de bijbehorende omhelzing te filmen, en het filmpje daarna direct weer door te sturen. Ik heb gezien dat een aankomer een afhaler tegemoet liep, en allebei hadden ze een telefoon aan hun oor, waarin ze aan het kletsen waren. Of ze zitten tijdens het wachten een spelletje te doen op hun apparaat. Taxichauffeurs komen iemand ophalen, sommigen hebben een kaartje in de hand met een naam erop, anderen een tablet waar een naam voorbij komt zweven. Sinds kort staat er een apparaat om spandoeken te maken, waar je zelf een tekst kan verzinnen, om iemand een warm welkom te geven. Maar het ouderwetse gesprek van aangezicht tot aangezicht is toch de mooiste manier om elkaar te ontmoeten. Een vliegveld is een plek waar alles erop gericht is, om de waan van de dag bij te benen. Te midden van al die drukte, een gesprek hebben en de ander ontmoeten, tijd hebben voor die ander, is veel waard. Te midden van al die drukte een plaats waar je je even terug kan trekken, waar je even stilte kunt zoeken, daar is grote behoefte aan.

Een gebedsruimte midden in de hectiek van bliepende smartphones, wat mooi om dat te kunnen bieden. Mirjam van Nie

Onderstaande artikel staat in de rubriek " Dienen " op pagina 5 van Samen jaargang 46 no. 9

Van de diaconie

Deze maand krijgt u tegelijk met SAMEN een brief over de jaarlijkse diaconale geldwerving. Hoe meer u geeft, hoe meer wij kunnen doen. Dat spreekt vanzelf. De in de brief genoemde richtlijnen mag u interpreteren naar gelang uw eigen mogelijkheden. Voor mensen met een krappe beurs is een lager bedrag ook welkom. En mensen die het beter hebben zou ik willen uitnodigen vooral gul te zijn,

Een goede diaconie houdt zich ook met politieke vragen bezig. Talloze vragen werpen zich op. Bijvoorbeeld: hoe kunnen we een zorgzame kerk zijn of wat is missionair – diaconaal? Door met deze vraagstukken bezig te zijn ontkomen we ook niet aan een kritische beschouwing van onze samenleving. En dat is nogal gauw politiek. Concreet doet zich dat voor bij het armoedevraagstuk in eigen land.

Het aantal huishoudens dat in Eindhoven moet rondkomen van een inkomen op of onder het sociaal minimum, is in tien jaar gestegen van 7,3 % tot 10 %

Terwijl het Eindhoven enerzijds economisch voor de wind gaat en zich op technologisch gebied steeds verder ontwikkelt en in de wereld een zeer vooraanstaande plaats inneemt, is er aan de andere kant van het spectrum ook een groep die het steeds slechter gaat en moeten we constateren dat in Eindhoven de armoede toeneemt.

Het SME (Samenwerkingsverband Minima Eindhoven) heeft met het zicht op de komende gemeenteraadsverkiezingen een Armoede Manifest opgesteld. Tien actiepunten die de bedoeling hebben om met het oog op de verkiezingen in maart 2018 de Eindhovense politieke partijen te prikkelen deze in het nieuwe collegeprogramma op te nemen.

Op 20 september (op het moment dat ik dit schrijf nog in de toekomst) is dit manifest in het Stadhuis aan de Eindhovense raadsfracties aangeboden.

Naast de leden van het SME, waarin de Diaconie namens de PGE zitting heeft, hebben een groot aantal Eindhovense instellingen en organisaties die werken met en voor de sociale minima in de stad aan de totstandkoming van het manifest bijgedragen en het mede ondertekend. Wie het hele manifest wil lezen kan dit op de website vinden.

Tot slot een oproep. Ongeveer een jaar geleden was ik heel blij, dat wij uit onze gelederen een kandidaat konden voorstellen voor het voorzitterschap van inloophuis ’t Hemeltje. Deze heeft door persoonlijke omstandigheden gedwongen plotseling moeten aftreden, waardoor wij op korte termijn opnieuw naar een opvolger moeten zoeken. Als u denkt dat u daarvoor geschikt bent, of iemand anders kent die u wilt aanbevelen: laat het ons weten. En indien u hiervoor wordt gevraagd, hoop ik dat u dat serieus wilt overwegen.

Leo Steinhauzer

Voorzitter College van Diakenen.

Onderstaande artikel staat in de rubriek "TINT' " op pagina 6 van Samen jaargang 46 no. 9

Introductieweek

Eind augustus verandert Eindhoven ieder jaar weer in een mierenhoop van nieuwe studenten. De stad stroomt vol met verse studenten in felgekleurde T-shirts en gekke accessoires. TINT grijpt deze week ieder jaar weer aan om onze bekendheid onder de nieuwe studenten te vergroten. Op de dinsdag is er een markt en op de donderdag hebben we workshops mindfulness gegeven.

Tijdens de markt op dinsdag deelden we lollies uit met daaraan verschillende levensvragen. Vragen zoals: “Als je mocht kiezen uit ieder mens ter wereld, dood of levend, met wie zou je dan een diner willen delen?” Dit leverde ontzettend leuke conversaties op, het zette studenten aan het denken en er ontstond soms hevige discussie in de groep. Behalve deze vragen die wij aan de studenten stelden hadden we ook de prijsvraag: ‘Verzin de meest originele levensvraag!’, waarmee ze mooie prijzen konden winnen.

Deze prijsvraag bleek een schot in de roos. De hele middag zaten er studenten bij onze kraam zo hard te denken dat het er soms pijnlijk uit zag. Het leverde ook een schat een mooie vragen op, die een prachtig kijkje gaven in de gedachtes van deze generatie studenten.

De top 10:

  • Hoeveel moet je reizen voordat je weer wie en wat je bent?
  • Zou de wereld beter af zijn met maar één cultuur, zodat conflicten en populisme worden voorkomen?
  • Zou je liever iets uit het verleden ongedaan willen maken of een kijkje in de toekomst krijgen?
  • Als iedereen dezelfde normen en waarden zou hebben, zou geloof dan nog bestaan?
  • Als je de mogelijkheid zou hebben alle religies af te schaffen, zou je dat dan doen?
  • Als je voor 5 minuten lang een engel kan zijn, hoe zou je die 5 minuten dan besteden?
  • Als je zou kunnen kiezen om nooit meer gedachtes in je hoofd te hebben, je kunt nog wel nadenken maar er komen geen gedachtes meer zomaar in je op, zou je daar voor kiezen?
  • Wat is jouw doel van het leven?
  • Wil je liever een lang leven of een goed leven leven?

Zo introduceerden wij ons niet alleen aan de studenten maar de studenten zich ook aan ons. Dit geeft ons weer stof tot nadenken en inspiratie voor onze activiteiten in het nieuwe studiejaar. Een zeer geslaagde introductieweek!

Anniek Mol
Project Manager @TINT

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Platform " op pagina 8 van Samen jaargang 46 no. 9

Kom adem ons open

Vanwege de grote betekenis van het Onze Vader zowel inhoudelijk als qua ervaring geschetst in de artikelen van Bert Jan van Haarlem en Bernard van Weeghel vind ik het jammer dat het bestaan van het zogeheten Aramese Onze Vader in deze artikelen niet is vermeld. Aramees was toch de spreektaal van Jezus?

Temeer daar de Aramese  versie van het ONZE VADER de wereld doorgaat en bij veel mensen herkenning vindt, omdat het zo hedendaags is in zijn beleving en het “de oecumene” , door het mystieke karakter ervan, ver te boven gaat. Door het woordgebruik geeft het al ruimte om God  te ervaren als ”een komen en een gaan, als golven van de zee, als leven en liefde”. Dit wordt nog versterkt omdat het bidden van dit gebed vaak uitgevoerd wordt met het reciteren van de Aramese woorden – zoals een mantra – of als lichaamsgebed. Het wordt  zo ook meer dan een zaak van alleen het hoofd, maar proeven met je hele lijf, doorgronden met hart en ziel.

Op deze manier  ontstaat er ook meer ruimte voor vrije, niet aan conventies gebonden,  persoonlijke invulling. Zelf heb dat in 2013  mogen ervaren op een bijeenkomst in LA VERNA, een stadsklooster in Amsterdam. Daar de  Aramese versie van het ONZE VADER mijn inziens dus de betekenis zoals al in beide artikelen is beschreven sterk ondersteunt hierbij één van de bekende vertalingen in het Nederlands:

O geboorte-gever! Vader-moeder van de kosmos.
Bundel Uw licht in ons – maak het nuttig.
Vestig Uw rijk van eenheid nu - .
Uw enige verlangen handelt dan samen met het onze,
zoals in alle licht, zo ook in alle vormen.
Geef ons wat we elke dag nodig hebben aan brood en inzicht.
Maak de koorden van fouten die ons binden los,
zodat wij de strengen waarmee we anderen aan hun schuld houden, loslaten.
Laat oppervlakkige dingen ons niet misleiden,
maar bevrijd ons van wat ons terughoudt.
Uit u wordt de alwerkzame wil geboren,
de levende kracht om te handelen,
het lied dat alles verfraait
en dat zich van eeuw tot eeuw vernieuwt.
Waarlijk – dat er kracht zij in deze woorden –
moge zij de basis vormen waaruit
al mijn daden ontstaan, amen.

(Bron : Neil Douglas- Klotz, Gebeden van de kosmos)

Willem Lamper

P.S. Het gebed in de Aramese taal kunt  u beluisteren  op YOU TUBE : “Abwun,the prayer of Jesus” en staat ook op Cd . Deze is bij mij voor belangstellenden zonder internet te beluisteren.

Onderstaande artikel staat in de rubriek "zorgSamen " op pagina 9 van Samen jaargang 46 no. 9

Mijn hoofd zit vol.

Mijn hoofd zit vol, vol met zaken die de revue passeerden de afgelopen week, vol met dingen die nog niet ‘af’ zijn:
Mijn overweging voor zondag, de workshop die ik ga geven met als titel: ‘Mijn leven? Ik kan er wel een boek overschrijven!’ en de vraag of er genoeg deelnemers zullen zijn. Mantelzorgers hebben het al zo druk; moet er nog een extra mailing achteraan?
Woensdag heb ik een vergadering en maandagmiddag ook al.

Mijn hoofd zit vol.
‘k Hou me maar vast aan: Keulen en Aken zijn ook niet op een dag gebouwd.
We hebben gesprekskring vandaag – de opkomst is goed.
Iemand zei pas: ‘Hier gaat het over wat je voelt’.
Vandaag is het onderwerp: ‘Geduld is een schone zaak!?’
Ik betrap me erop dat we steeds thema’s hebben met uitroepteken én vraagteken erachter!
Kunnen we in ieder geval zeggen dat we de nuance zoeken.
Mooi onderwerp: geduld in een verpleeghuis.
Na afloop constateren we dat het een fijne bijeenkomst was, ondanks ons eigen ongeduld: Verscheidene mensen moesten vroeger weg.
Van veel bewoners in onze huis zit het hoofd ook vol.
Er kan niks meer bij.
‘Ik vergeet alles, kan niks meer onthouden’, zijn veelgehoorde opmerkingen.
In de top drie staat ook: ‘Oud worden willen we allemaal, oud zijn ….’

Er gebeuren mooie dingen in gesprekken met dementerenden.
Maar het is en blijft een verdrietige ziekte, voor degene die het heeft en degenen die het verder treft: partners, mantelzorgers.
Hun hoofd zit vol.
Vaak schuiven dingen zomaar door elkaar heen: op je partner wachten die al jaren dood is, je ouders elk moment verwachten terwijl je negentig bent.
Je onbegrepen en nutteloos voelen, daar hoef je niet dement voor te zijn trouwens. Ik word verdrietig als ik hoor van een mevrouw die blij ze is dat straks toch dat poedertje komt, voor als het niet meer hoeft.
Ze vindt dat een geruststelling.

Mijn gespreksgroepen tellen steeds meer mensen, van allerlei gezindten.
Er is behoefte om te praten met elkaar, over meer dan koetjes en kalfjes.
Daarnaast zijn velen blij met een individueel gesprek over van alles en nog wat. De dag duurt lang en als je ouder wordt vallen veel mensen om je heen weg. Niet iedereen vraagt zelf om de aandacht die hij of zij nu even goed zou kunnen gebruiken. In mijn agenda zet ik: Niet vergeten deze week even langs te gaan bij mensen die er nooit om vragen.

Draait het in het geloof niet steeds opnieuw om de naam ‘Ik zal er zijn’?

Ik begin aan mijn overweging voor zondag.
De lezing gaat over de zieke in Bethesda en zijn uitroep: ‘Ik heb geen mens’.
Weet al wat we daarna zingen:

‘God heb ik lief, want die getrouwe Heer,
hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen.
Hij neigt zijn oor, ‘k roep tot Hem al mijn dagen.
Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer’

‘En levenslang ben ik niet eenzaam meer’.

En daarna is het tijd voor mijn column voor Samen.
Joop Lankhaar

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Samen naar buiten" op pagina 9 van Samen jaargang 46 no. 9

Ontmoetingsmarkt

Rode kraampjes, hoge en lage zitjes en statafels, het was 26 augustus een vrolijke uitspanning op het bordes van de 150-jarige Catharinakerk.

Als huurders wilden we laten zien wat er naast de ‘liturgische activiteiten’ verder in de Cathrien gebeurt. Al jaren huurt de Stichting Open Huis een ruimte van de kerk om mensen te ontvangen die dakloos zijn, (soms dringend) behoefte hebben aan een ontmoeting, psychiatrische problemen hebben, maar ook belangstellenden en toeristen – iedereen is welkom mits hij/zij zich houdt aan de huisregels. Ook het Steunpunt Materiële Hulpvragen heeft haar plek in de Cathrien; zij helpt mensen met dringende financiële vragen of problemen en geeft advies, verwijzing, lening, etc.

Het was een stralende dag voor een bijzonder samenzijn rondom een extra luxe lunch, verzorgd door Robin Hood met zijn enthousiaste medewerkers. Als extra gasten hebben zich tijdens de ontmoetingsmarkt gepresenteerd: Amnesty International, EindhovenPRESENT, Ervaring die STAAT, Leger des Heils, Neos, Pauzegroepen Open Huis, Straatpastoraat, Vluchtelingen in de Knel; instanties die zich inzetten voor mensen in nood en voor onze doelgroep. We hadden gehoopt op meer belangstelling voor de ´markt´, maar de sfeer rond de presentatietafels en lunch was uitstekend. Een prima plek om ons eens buiten de kerk te laten zien, zelfs even onder de klanken van het carillon.

Er kwam een mevrouw  in mijn buurt staan en ik bood haar een kopje koffie aan; ze zei: ik ben een beetje aangedaan want toen ik de klokken hoorde luiden (dit was om 12.00 uur bij het begin van de lunch en presentatie) was ik weer even terug bij de uitvaart van mijn vader in deze kerk. Ik woon al jaren in het buitenland en toevallig kom ik net langs. We dronken samen een kopje koffie en later nog een. Zulke ‘toevallige’ ontmoetingen kun je hebben in het Open Huis.

Jetty Besnard,
vrijwilliger Open Huis

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Varia " op pagina 12 van Samen jaargang 46 no. 9

Lang haar

Nadat het in 1620 nog normaal was dat mannen hun haar kort lieten knippen, ontstond omstreeks 1640 ophef in de kerken over een nieuwe mannenmode, met name over lang haar. Het stond op de agenda van diverse synodes en classisvergaderingen. Het was gebleken dat steeds meer jonge studenten en proponenten, maar zelfs ook sommige predikanten en schoolmeesters lang haar waren gaan dragen en zich opvallend gaan kleden. Dit veroorzaakte ergernis bij eenvoudige mensen. De rechtzinnige dominee Udemans uit Den Bosch schreef er in 1643 een boek over, waarin hij zich teweer stelde tegen wat hij noemde ‘Absalom-haar en wilde vliegende haartrossen’. (Absalom, die een mislukte opstand tegen zijn vader koning David had gepleegd en op de vlucht was, bleef op zijn paard met zijn lange haar in boomtakken hangen en werd gedood.) Paulus had zich in zijn brief aan de gemeente te Corinthe (1 Cor. 11:14) verzet tegen lang haar bij mannen. In Udemans dagen waren het doorgaans alleen voorname heren die lang haar droegen. Gewone mannen moesten zich niets verbeelden, zij behoorden zich niet als heren te gedragen en er verwijfd uit zien, de ijdeltuiten. Lang haar was voor vrouwen.

Ook andere predikanten deden een duit in het zakje. Een dominee vervulde een rolmodel en moest er bescheiden uitzien. Maar er waren ook andere geluiden. Een professor uit Leiden betoogde dat er door de jaren heen altijd een wisselende mode was geweest van lang en kort haar. Volgens hem gold het bevel van Paulus ook niet voor de huidige tijd..

Professor Schuyl, lid van de kerk te Den Bosch, schreef een boekje: Raad voor de scheerzieke haarklovers. De titel doet al vermoeden wat de schrijver van alle ophef vond. Hij kwam op voor de vrijheid van ieder mens en schreef spottend dat nu de dominees niet meer bezig waren met het vagevuur, de aanroeping van heiligen, predestinatie, en zo, zij het over haartjes hadden.

De bezwaarde dominees voerden een verloren strijd. De lange haren waren niet tegen te houden. Na 1650 kwam het onderwerp niet meer voor op de agenda van kerkelijke vergaderingen. Lang haar werd geaccepteerd, ook bij dominees, en als zij kaal werden, zetten zij een pruik op.

Gerard van Gurp

September 2017 - met thema: Het Onze Vader. Lees meer...

Onderstaande artikel staat in de rubriek " Het 'Onze Vader' " op pagina 2 en 3 van Samen jaargang 46 no. 8

Een oecumenisch gebed
Het ‘Onze Vader’ is één van de bekendste gebeden. In alle kerken, door alle christenen worden deze woorden gebeden. Dit gebed verbindt alle christenen met elkaar. Het is van grote betekenis als oecumenisch gebed.
De betekenis van het ‘Onze Vader’ reikt zelfs verder dan de kerken. Bij de 4 mei herdenking in de Nieuwe Kerk in Amsterdam was dit jaar de laatste spreker een aalmoezenier. Hij besloot zijn woorden met het uitspreken van het ‘Onze Vader’ en veel mensen, jong en oud, spraken de woorden mee. Bij de herdenking van de bezetting van Nederlands-Indië door Japan op 15 augustus werd bij de kransleggingen en tijdens het defilé langs het monument muziek gespeeld door de Marinierskapel van de Koninklijke Marine. Er klonken vrijwel uitsluitend protestantse kerkliederen, waaronder het ‘Vater unser in Himmelreich’. Het ‘Onze Vader’ verbindt mensen met elkaar of zij nu christen zijn of niet. Het gebed heeft een oecumenische betekenis die verder reikt dan de kerken.

Verschillende versies
Dat wil nog niet zeggen dat dit gebed altijd in dezelfde bewoordingen wordt gebeden. De verschillen die er zijn tussen verschillende stromingen en tradities in het christendom, gaan soms gelijk op met de verschillende vertalingen die er van het ‘Onze Vader’ bestaan. In Duitsland bidden de lutheranen ‘Vater unser’ en de calvinisten bidden ‘Unser Vater’. Na één nog hooguit twee woorden weet je met wie je te maken hebt! In Nederland waren protestanten gewend om te bidden ‘leid ons niet in verzoeking’, terwijl rooms-katholieken vertrouwd waren met de bede ‘leid ons niet in bekoring’. Om de verschillen te overbruggen kwam er een oecumenische verwoording van het ‘Onze Vader’. Eind vorig jaar kregen rooms-katholiek Nederland en Vlaanderen een eensluidende tekst van het ‘Onze Vader’. Vooral de bede ‘leid ons niet in beproeving’, zorgde voor nogal wat ophef en commentaar.
Een nieuwe vertaling levert vrijwel altijd reacties op. Dat is ook het geval met de tekst in de nieuwe bijbelvertaling. De opmerkingen die gemaakt worden gaan lang niet altijd over de kwaliteit en de juistheid van de geboden vertaling.

Als woorden ontbreken
Het gaat er vaak om dat mensen zich de woorden van het gebed eigen hebben gemaakt. Ze kennen de woorden uit het hoofd, ze hebben de woorden geleerd. Wat wij ‘uit het hoofd leren’ noemen, is in het engels ‘learning by heart’. Dat is wel zo mooi en waarschijnlijk ook veel treffender gezegd. Het gaat er immers niet alleen om dat je de woorden kent. Het gevaar van een bekend gebed is dat je het gedachteloos kunt bidden. Met routine. Uit gewoonte. Het hoort nu eenmaal zo… Dan hebben de woorden van het gebed weinig betekenis meer.
De andere kant van een vertrouwd gebed is dat het je woorden aanreikt op momenten dat je eigen woorden tekort schieten. Als je zelf geen woorden meer kunt vinden, kunnen de woorden van een gebed dat je geleerd hebt je dragen en houvast geven.
Als een nieuwe vertaling van het ‘Onze Vader’ de routine en gewoonte doorbreekt, is dat een goede zaak. Het kan er toe leiden dat je het gebed met nieuwe oren bidt en met nieuwe ogen ziet. Waar het vertrouwde gebed zijn betekenis heeft verloren, kan een nieuwe vertaling uitkomst bieden.
Een nieuwe vertaling kan er ook voor zorgen dat het gebed een deel van zijn kracht verliest. Als er andere woorden klinken dan die je lief zijn geworden, kan het gebed ook minder zeggingskracht krijgen. Je kunt er aan lijden als je niet meer kunt terugvallen op oude en beproefde woorden. Een nieuwe tekst kun je je niet zo maar eigen maken. Je moet de woorden proeven. Als je daar de tijd voor neemt en krijgt, kan een nieuwe vertaling veel bieden.

Leren bidden
De woorden van het ‘Onze Vader’ vinden we in het evangelie naar Mattheüs (6: 9-13) en in het evangelie naar Lukas (11: 2-4). Het valt op dat de tekst in het Lukasevangelie een stuk korter is dan die in het Mattheüsevangelie. Blijkbaar is er niet zoiets als een vaststaande tekst geweest, maar is het gebed bekend geweest en overgeleverd in verschillende varianten. De verschillen die wij kennen in de verschillende vertalingen van de tekst, vallen daarbij in het niet. Het gebed is dus blijkbaar bedoeld als een voorbeeld, als een handreiking om te kunnen bidden. Het is niet een tekst waarvan je kunt zeggen: het moet zo en het kan of mag niet anders. Er is niet één tekst van het ‘Onze Vader’. Er is niet maar één gebed.
Het ‘Onze Vader’ is uitdrukkelijk bedoeld om de leerlingen van Jezus te leren bidden. Volgens Lukas vragen de leerlingen zelf om een voorbeeld: ‘Heer, leer ons bidden’. In het evangelie naar Mattheüs is het gebed onderdeel van de bergrede. Het hoort daarmee bij het onderricht van Jezus aan zijn leerlingen.
Ook de apostel Paulus weet dat wij zelf vaak niet de woorden vinden om te bidden: ‘wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen’. Het vertrouwen van Paulus is dat er voor ons gebeden wordt: ‘de Geest zelf pleit voor ons’. Ook Lukas lijkt die gedachte te kennen als hij zegt dat God, de Vader in de hemel, de Heilige Geest zal geven aan wie hem daarom vragen. Dat lijkt dus de eerste en belangrijkste vraag in ons gebed te zijn: dat wij Gods Geest mogen ontvangen, ‘die Heer is en levend maakt’.
Jezus geeft zijn leerlingen woorden waarmee zij kunnen bidden. Het kan hen en ons helpen om de goede woorden voor een gebed te vinden: ‘Kom, Heilige Geest’.
Al onze gebeden worden gedragen door de woorden die de Heer aan zijn leerlingen gaf.

Abba, Vader
Je kunt het ‘Onze Vader’ geen nieuw gebed noemen. Ook al zijn het de woorden die Jezus zijn leerlingen geeft. Het zijn de woorden van een joods gebed, die klinken. De beden uit het ‘Onze Vader’ komen ook voor in joodse gebeden uit de tijd van Jezus.

In het Achttiengebed horen we:
‘…Geef ons begrip, o Heer onze God, om uw wegen te kennen
en besnijd ons hart tot respect voor U.
Vergeef ons zodat we verlost worden
en houd ons ver van onze zorgen.
Verzadig ons op de velden van uw land…’
Dit gebed werd door joden drie maal op een dag gezegd. Ook de eerste christenen kenden het gebruik om drie keer op een dag het ‘Onze Vader’ te bidden.

Het begin van Kaddisj-gebed luidt:
‘Verheven en geheiligd worde Zijn grote Naam
in de wereld die Hij heeft geschapen volgens zijn wil.
Moge Hij zijn Koninkrijk vestigen
in uw leven en in uw dagen,
en in het leven van het hele huis Israël.
Snel en in nabije tijd.

Als David zijn taak om een tempel voor de Heer te bouwen overdraagt aan zijn zoon Salomo, bidt hij:
‘Geprezen bent U, Heer, God van onze voorvader Israël, voor altijd en eeuwig.
U, Heer, bent groots, machtig, vol luister, roem en majesteit.
Alles in de hemel en op aarde behoort u toe, Heer,
U bezit het koningschap en de heerschappij…’

Joden en christenen kunnen samen het ‘Onze Vader’ bidden. Uit de joodse gebedspraktijk neemt Jezus over het aanspreken van God als ‘Abba, Vader’. Ook de apostel Paulus kent deze gebedstraditie, als hij aan de gemeente in Rome schrijft: ‘u hebt de geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met ‘Abba, Vader’. In het gebed wordt een diepe verbondenheid van God en mens uitgesproken. Bidden tot God is als spreken van een kind tot zijn of haar vader.
Ook Jezus bidt met diezelfde woorden: ‘Vader…, zoals U wilt’. Het is niet alleen Jezus, de Zoon, die zo met God, de Vader, verbonden is. Tegen zijn leerlingen laat de opgestane Heer zeggen: ‘Ik stijg op naar mijn Vader, die ook jullie Vader is…’

Verbinding
In het ‘Onze Vader’ zijn niet alleen God en mens diep verbonden. Mensen worden ook met elkaar verbonden in dit gebed. Er wordt gesproken ‘Onze Vader…, Geef ons…brood…, Vergeef ons onze schulden… wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was… breng ons niet… red ons…’ Niet één keer klinkt er ik of mijn. Ook wie het gebed alleen bidt zegt ‘ons’ en ‘wij’. In het gebed ben je nooit alleen, zelfs niet alleen met God. Je bent ook altijd samen met mensen.
Wie in gebed verbonden is met God, kan zich niet losmaken van mensen. Je bidt nooit voor jezelf alleen, maar altijd ook met en voor anderen: onze Vader: niet alleen mijn Vader, maar ook uw en jouw Vader; ons brood, niet alleen mijn, maar ook uw, jouw brood…
De band met God verbindt mij meteen met anderen. In die zin is het eerste gebod (God liefhebben…) gelijk aan het tweede (je naaste liefhebben…). Niet omdat ze precies hetzelfde zijn, maar omdat ze niet zonder elkaar kunnen. Misschien – ik zeg het bewust voorzichtig – kun je een medemens liefhebben zonder God lief te hebben. Je kunt in ieder geval niet God liefhebben en je naaste niet. Zo kan de apostel Johannes schrijven: Als iemand zegt: ‘Ik heb God lief’, maar hij haat zijn broeder of zuster, is hij een leugenaar.
Ook in het ‘Onze Vader’ wordt duidelijk dat liefde voor God en liefde voor de naaste niet van elkaar los gemaakt kunnen worden. Wie God liefheeft, krijgt de naaste er bij. Zo is het ook met het gebed; wie bidt tot God, is ook verbonden met de mensen.
Het is wel zo dat hier sprake is van een volgorde die niet omgedraaid kan worden: de verbondenheid met God, onze Vader in de hemel maakt dat wij ook verbonden zijn als mensen op de aarde.
Met ‘Onze Vader in de hemel’ wordt God aangesproken. In het Mattheüsevangelie wordt het woord hemel vaak gebruikt om God aan te duiden zonder – uit eerbied en ontzag – zijn eigen Naam uit te spreken. De hemel is niet zozeer de woonplaats als wel de wereld van God. De Heer is (in) de hemel, de mens is (op) aarde.
Het geheim van het geloof is dat God hoog in de hemel ziet en redt wie diep op en in de aarde zijn. De kracht van het gebed is dat de God van Israël bij de mensen wil zijn en mensen tot elkaar brengt. Daarom kun je niet anders bidden dan:
‘Laat uw wil gedaan worden, zoals in de hemel, zo ook op de aarde.’ Van de hemel, de Naam, het Koninkrijk en de wil naar de aarde, het brood, vergeving, redding. In een andere richting, op een andere manier gaat het echt niet. Alleen zo komen God en mensen samen. Alleen zo komt er vrede op aarde en wordt een gebed een lied:
Eer aan God in de hoogste hemelen
en vrede op aarde
voor alle mensen die Hij liefheeft.
                                                                                 Bert Jan van Haarlem

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Bestuurlijk nieuws" op pagina 4 van Samen jaargang 46 no. 8

Na de vakantie…

Een (lange) vakantie is vaak een periode van afstand nemen van het gewone, een ander ritme en dagbesteding, en niet teveel denken aan wat allemaal nog moet gebeuren. Dat komt wel weer na de vakantie…

Zo ook in de kerk. De zondagse diensten gaan door, maar voor de rest staat alles wel zo’n beetje op een laag pitje. Even geen vergaderingen, kringen, bijeenkomsten, huisbezoeken, avonden, enzovoorts. In afwachting van plannen voor het nieuwe seizoen en/of de uitvoering daarvan. Zoals ik in de vorige SAMEN schreef, heeft de AK ook plannen. Niet omdat de AK zichzelf nou zo belangrijk vindt of op zoek is naar werk (integendeel, hoe minder vergaderen hoe beter). Wel omdat de AK het belangrijk vindt, en ook hoort vanuit de wijken, dat op stedelijk niveau de contacten tussen de wijkgemeenten intensiever worden. In een kleinere PGE kom je dichter bij elkaar te staan en heb je elkaar meer nodig.

De gesprekken met elkaar en het samen werken aan het koninkrijk van God gebeuren wat de AK betreft het liefst ‘van onderop’. Eigenlijk is die term niet goed gekozen, want deze suggereert een hiërarchie die niet bestaat. Wat ik bedoel is dat dergelijke gesprekken gevoed en gevoerd moeten worden door wat mensen drijft, waar ze hun passie en bezieling uit halen, waar ze mee bezig zijn. Vanuit de inhoud, vanuit pastoraat, niet vanaf de tekentafel (c.q. vergadertafel). De goede samenwerking binnen de diaconie vind ik daar een uitstekend voorbeeld van.

Op 16 september is een eerste aanzet. Vanuit de drie wijkkerkenraden zullen een aantal ambtsdragers met elkaar in gesprek gaan. Het initiatief is genomen door de wijkkerkenraad van Zuid. Enkele AK-leden zullen ook aansluiten. Op deze zaterdag krijgen we ook bezoek van de RCBB uit Zuid-Nederland, het regionale orgaan dat zich bezig houdt met beheerszaken van de kerk. De leden van de RCBB houden toezicht en geven advies. In de afgelopen jaren hebben we goed gebruik mogen maken van hun kennis en expertise bij het verbeteren van de financiële processen binnen de PGE. De RCBB bezoekt ons in het kader van hun jaarlijkse ‘uitje’, een kerkentocht langs een aantal gemeenten.

Tot slot een Loesje voor dit seizoen: Druk druk druk… van de ketel graag.

                                                                                      Benjamin Jansen

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Dienen" op pagina 4 van Samen jaargang 46 no. 8

De diaconie, het missionaire gezicht van de kerk in de samenleving

Een nieuw kerkelijk seizoen staat te beginnen. Diakenen nemen hun taken weer op.
Nadenkend over het onderwerp voor dit stukje, misschien een motto voor het seizoen, bladerde ik door de afleveringen van SAMEN om te zien welke onderwerpen ik dit jaar had aangesneden. Is er een rode draad te ontdekken? ‘Diaconie is Doen’, helpen waar geen helper is, staat in ons vaandel. En, wat de diaconie doet, daarvan doen wij verslag. Maar er zijn ook zorgen. De christelijke en gelovige wereld laat zich gemakkelijk uiteendrijven en is erg verdeeld. Hoeveel kerken zijn er wel niet? In Eindhoven zijn er al ongeveer 15 groeperingen die ondanks de verschillen op diaconaal gebied met elkaar willen samenwerken in het IDOE. Ook binnen onze eigen PGE is helaas verdeeldheid. Het samengaan van wijkgemeenten heeft tot verdriet van velen tegenstellingen en scheiding opgeroepen en juist nu de rust enigszins is weergekeerd klinkt alweer de roep om de volgende stap in verdergaande samenwerking te zetten. Naast twee wijkgemeenten, die misschien enigszins van kleur verschillen, is er de Kruispuntgemeente, die een uitdrukkelijk andere positie inneemt. Dat is niet erg. Het is juist goed. Mensen zijn verschillend en geloven verschillend, geven er op verschillende manieren uiting aan. Maar als wij ons christelijk willen noemen en ons beroepen op het geloof en leven van Jezus van Nazareth en zijn evangelie, zijn wij naar mijn mening jegens hem verplicht ons met elkaar te verstaan en te proberen tegenstellingen te overbruggen. In het College van Diakenen werken we heel goed samen in een heel plezierige sfeer. Omdat het ‘Doen’ centraal staat kan de valkuil van theologische discussies worden vermeden en samen Doen verbindt. Toch moeten we het gesprek niet uit de weg gaan. Bijvoorbeeld in de discussie in dit blad en op de website over het samengaan van diaconaal werk met een missionaire opdracht is het belangrijk om met respect voor elkaars verschillen in benadering het eens te worden over het uitgangspunt dat hulp aan mensen onvoorwaardelijk moet zijn. D.w.z. zonder eisen te stellen aan geloof of deelname aan kerkelijke activiteiten.
Dit voorjaar organiseerde de Kruispuntgemeente een gespreksgroep over het boek ‘Vreemdelingen en Priesters’ van Stefan Paas. Hij behandelt de mogelijkheden van de kerk om in de huidige tijd, waarin de secularisering voortschrijdt, geïnspireerd en missionair te zijn. Een interessant boek. Ik mocht aan deze gespreksgroep deelnemen en heb dat met veel plezier gedaan. Ik heb me thuis gevoeld bij deze mensen, die soms anders denken en geloven dan ik. Ik voelde me vrij om mezelf te blijven.
Diaconie leert verbinden, maar zoekt ook de confrontatie met de samenleving en schuwt de politiek niet. Nee, wij compromitteren ons niet met partijpolitiek, maar schromen ook niet om stevig stelling te nemen tegen de overheid. Bijvoorbeeld in de kwestie van het kinderarmoedebeleid (zie SAMEN van juli/augustus en het stukje van Willem Lamper over het protestfonds elders in dit nummer).
Samen met anderen in het kader van de SME (Samenwerkende Minima Eindhoven), waarin wij participeren namens de Diaconie PGE en het IDOE, hebben wij een belangrijke rol gespeeld in het protest naar de gemeente Eindhoven en het daaruit voortvloeiende gesprek met de wethouder Renate Richters. Dit is ook een manier om het gezicht van de kerk in de samenleving uit te dragen en op die manier missionair te zijn.
Op 29 september a.s. organiseert Kerk in Actie Binnenland in samenwerking met de afdeling Ondersteuning Gemeenten en de PThU een studiedag in Doorn, onder de titel ‘Wat is missionair-diaconaal’. Ik hoop deze conferentie bij te wonen en verdere inspiratie op te doen. Uiteraard zal ik u verslag doen.

                                       Leo Steinhauzer, voorzitter College van Diakenen

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Varia" op pagina 5 van Samen jaargang 46 no. 8

 Vermist: het classisboek

In augustus 1688 vergaderde de synode van Gelderland in Zutphen. De Oost-Brabantse kerken ressorteerden onder deze synode en behoorden tot twee classes, ’s-Hertogenbosch en Eindhoven, die afgevaardigden naar deze synode zonden. De synodevergadering duurde tien dagen.
Enkele afgevaardigden uit Brabant hadden helaas niet tijdig hun terugreis geregeld en toen de synode gesloten was konden zij,geen vervoer vinden. Er zat niet anders op dat te voet naar Arnhem te gaan, een afstand van meer dan 30 km en van daar naar huis. Het was te ver om ook nog met bagage te sjouwen. Daarom vroeg ds. Van den Broeck uit Geldrop aan zijn Bergeijkse collega of die hun aan elkaar gebonden reiszakken wilde meenemen in de wagen waarin hij meereed om die dan in een bepaalde herberg in Arnhem af te leveren.
De predikanten van Geldrop en Veghel en twee ouderlingen uit Eindhoven en Budel gingen op pad. Daar aangekomen, vroegen zij in de afgesproken herberg om hun reiszakken. Tot hun verwondering was de reiszak van ds. Van den Broeck er niet meer bij. Die was nergens te vinden, ook niet in het logement in Zutphen. Het pijnlijke was dat in de vermiste zak het notulenboek van de classis Eindhoven zat.
Toen de raadselachtige vermissing aan de classis werd meegedeeld, vroeg deze uiteraard om een nader onderzoek. Talloze vragen bleven. Wie had die vermiste reiszak verwijderd? Of was die helemaal niet meegekomen? Stond er iets in dat iemand niet welgevallig was?
Wat was de rol die ds. Van en Broeck speelde? Hij was na thuiskomst vertrokken naar Engeland als legerpredikant bij het leger van Willem III zonder dat zijn kerkenraad het wist en in zijn afwezigheid werd hij enkele maanden later om een andere zaak door de classis geschorst. De raadsels zijn nooit opgelost en het boek is niet meer boven water gekomen.

                                                                                          Gerard van Gurp

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Column" op pagina 8 van Samen jaargang 46 no. 8

Het ‘Onze Vader’.

Ik weet niet hoe het u vergaat, maar het ‘Onze Vader’ maakt het één en ander bij mij los. Het heeft even geduurd voor dit gebed mij iets ging zeggen! Toen ik nog kind was, bad mijn vader het vaak voor het eten. Altijd op dezelfde toon. Voor hem houvast, denk ik nu, maar voor mij niet erg opwindend! Mijn vader was niet zo’n prater, ‘formulier-gebeden’ waren een uitkomst voor hem! Maar voor mij was het iedere dag hetzelfde, ik werd er niet echt door geraakt! Ik was meer van de actuele problemen dichtbij en veraf, van de gewone taal, van de directe benadering van die Ene. Wat moest ik met begrippen als: Gods naam heiligen? En waarom leidt Hij ons eigenlijk in verzoeking?

Ik heb sowieso wat moeite met ‘regelmatige herhaling van hetzelfde’! Dat geldt voor ‘standaard’ gebeden, maar ook voor liturgie. En ik stel mezelf zo nu en dan de vraag, waarom dat zo is. Immers: de Joden hebben vele mooie gebeden voor allerlei gelegenheden, de liturgie in de kerk wordt door velen intens beleefd en de Koran wordt door miljoenen moslims gereciteerd zonder dat ze de woorden begrijpen.

En dan het bidden van het ‘Onze Vader’ aan het graf van een overledene. Een goede gereformeerde gewoonte, maar ook al niet iets om warm van te worden, vond ik! Aan het bidden daarvan tijdens mijn vaders begrafenis bewaar ik geen geweldige herinneringen.

En wat te denken van de disputen over de verschillende versies. Katholiek of protestants, modern of confessioneel, iedere stroming heeft wel zo haar eigen versie. Soms strekt de verdeeldheid zich uit tot op woordniveau. (beproeving versus bekoring bijvoorbeeld) Ook al geen reden om warm te lopen voor het ‘Onze vader’, dunkt me.

Voor mij was en is inhoud heel belangrijk en die heb ik van het ‘Onze Vader’ gaandeweg beter heb leren begrijpen. Met name het bidden van dit gebed met twee personen, waarbij de ene stem de bidder representeert en de andere God die antwoordt, heeft op mij diepe indruk gemaakt. Ineens waren het geen plechtige woorden meer die ik uitsprak, maar kregen de woorden betekenis voor mij persoonlijk in het hier en nu.

Maar leggen alle genoemde verschillen en gevoeligheden niet bloot dat er meer is dan de betekenis van de woorden. Gaat het niet ook om de emotie die het gebed in je los maakt? Een gebed dat je, met vreze, uitspreekt voor het aangezicht van de Eeuwige. Een gebed dat je samen bidt in kleine of grote kring. Een gebed als ritueel, als geloofsbeleving! In de kerkdienst, aan tafel en bij het graf. In gesprek met die Ene, onze vader / moeder, die er voor ons is en er altijd zal zijn.

Geen wonder dat een bepaalde zinsnede of bepaalde woorden voor mensen dierbaar zijn geworden, hen troost en houvast geven. Mijn grootvader bad ‘zijn’ ’Onze Vader’ hardop, op z’n sterfbed na een fatale beroerte.

                                                                                 Bernard van Weeghel

Onderstaande artikel staat in de rubriek "TINT" op pagina 8 van Samen jaargang 46 no. 8

Zorg voor de ziel

Sinds maart jl. volg ik de nascholingscursus ‘Zorg voor de ziel’, bedoeld voor pastores die graag de blik willen richten op de eigen bezieling om van daaruit geïnspireerd te blijven werken aan de bezieling van anderen. De cursus bestaat uit zes tweedaagsen, die gehouden worden in abdij Koningsoord in Oosterbeek. Het is een contemplatieve abdij, waar ongeveer twintig zusters grotendeels in stilte wonen. Zeven keer per dag houden zij getijdengebeden, waarvan wij er vier per dag meebeleven. Het verblijf in de abdij is een onderdompeling in een wereld van stilte.
Naast de momenten van stilte en gebed, volgen wij als cursisten een divers programma. Er zijn lezingen, groepsgesprek, wandelingen, momenten om te schrijven, bibliodrama en zelfs bibliodans (waarbij een bijbelverhaal d.m.v. lichamelijke expressie wordt beleefd). Zo hebben we inspirerende lezingen beleefd over de mystica Teresia van Avila (door onze Eindhovense Gideon van Dam!), over het gedachtegoed van de woestijnvaders en over de psalmen. We hebben groepsgesprekken gevoerd over de vraag hoe je de verschillende stemmen in jezelf kunt leren onderscheiden en over hoe je keuzes maakt. Tijdens de wandelingen liepen we twee aan twee eerst in stilte, waarna vervolgens de één aan het woord is en de ander vragen stelt en dit daarna wordt afgewisseld. Zo zijn niet alleen de cursusleiders, maar ook de cursisten voor elkaar gids op de weg.
Voor de zomervakantie kregen wij als huiswerk de opdracht een spirituele autobiografie te schrijven. Eerst breng je daarvoor de hoogtepunten en dieptepunten in je levensweg en je geloofsweg in kaart, waarna je als in één adem je verhaal schrijft ‘van nul tot nu’. Een mooie manier om te ervaren dat zowel de bergen als de dalen bij je levensweg horen en dat ze je gemaakt hebben tot wie je nu bent. Ook blijkt dan dat wat een dieptepunt was in je levensweg juist een hoogtepunt kan zijn geweest voor je geloof en andersom.
De cursus is nu halverwege, dus in het najaar heb ik nog drie tweedaagsen te gaan. Nu al vind ik het een cadeautje om dit nascholingstraject te kunnen volgen. Het geeft ruimte om de dagelijkse bezigheden van het werk achter me te laten en op een rustige plek aandacht aan mijn ziel te besteden. Ik kom daarbij ook pijn tegen: wonden die ik onderweg heb opgelopen en die om aandacht en heelwording vragen. Hierbij kwam bij mij het beeld op van een vlinder die, kwetsbaar als zij is, wordt gekoesterd door twee handen (de handen van God, van je ouders, van jezelf…). Vleugels kunnen onderweg beschadigd raken en ook weer geheeld worden om zo, zij het soms met littekens, verder te kunnen vliegen.
Welke doorwerking de cursus verder gaat hebben en hoe dit vorm krijgt in het werk met studenten, ligt nu nog open. In elk geval voelt het goed om aandacht te besteden aan mijn eigen ziel in werk, waarin het vaak draait om de zielen van anderen. Ik geniet ervan!

Margit van Tuijl
studentenpastor/personal life coach @TINT

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Dienen " op pagina 9 van Samen jaargang 46 no. 8

Geloven Doen!

Bij IDOE (Interkerkelijk Diaconaal Overlegplatform Eindhoven) zijn veertien kerken aangesloten. Eén daarvan is Powerhouse Ministries, mijn kerk.
Sinds 2007 zijn wij in Eindhoven actief, begonnen met drie leden zijn wij uitgegroeid tot 250 leden. Wij geloven in het verlossende werk van Jezus Christus. Het woord van God, de Bijbel, staat centraal. Als mensen zich hebben bekeerd en Jezus geaccepteerd, dan kunnen ze gedoopt worden. Ze zijn dan geen bezoekers meer, maar leden. Als iemand lid is geworden, wordt gevraagd om de tienden te betalen. Er wordt ook verwacht dat zij helpen om activiteiten voor de buurt te organiseren.

Ons gebouw staat aan de Thorvaldsenlaan 6, dat is dichtbij de Emmaüskerk, voorheen een kerk van de Protestantse Gemeente.
Ik ben een keer in een dienst in de Johanneskerk geweest en wat mij toen opviel, was het enorme verschil met onze diensten. Alles verliep precies volgens een liturgie en ik geloof zelfs precies op de minuut af. Dat gaat bij ons heel anders. Wij beginnen met gebed, met aanbidding en lofprijzing. Dat gaat heel uitbundig met veel beweging, zingen, klappen en dansen, vaak ook met het gebruik van vlaggen. De pastor houdt de prediking en de dienst wordt afgesloten met gebed, waarbij de aanwezigen wordt gevraagd waarvoor zij gebed willen. Er zijn altijd veel activiteiten en aan het eind van de dienst worden die meegedeeld.
Na de dienst wordt er gegeten.
Behalve een kerkzaal hebben wij zalen voor vergaderingen, onderwijs, kledingwinkel, etensvoorraad, christelijke boeken en geschenkenwinkel, en een opnamestudio.

Powerhouse Ministries is georganiseerd volgens de vijfvoudige bediening. Er is een apostel, een pastor, evangelisten, leraren en profeten.
De apostel en de pastor leiden de dienst. We hebben één keer per maand avondmaal en één keer per maand een jeugddienst, opgezet en uitgevoerd door de jongeren van de kerk.

                                      Phelecia Williams – Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Samen naar buiten " op pagina 9 van Samen jaargang 46 no. 8

 Van Chagall, dakloos zijn en thuis komen

Wie via Luxemburg naar Frankrijk reist komt dan meestal ook langs Metz. Inderdaad: langs Metz. Zo niet in 2005. Toen kozen we er voor om aan de Moezel op de Camping Municipal van Metz te gaan staan. We wilden de ramen van Chagall in de kathedraal van Metz bekijken. En omdat we na een uurtje of vier al kant en klaar op de camping stonden, besloten we meteen maar naar de kathedraal te lopen. Wandelschoenen aan, camera mee en stappen. Na een meter of 50 zwaaide er een bekende naar ons. We zwaaiden terug en zeiden even gedag. Praatten nog even door, werden uitgenodigd te gaan zitten, fles wijn erbij.

Was het niet zo dat ik nu geen werk meer had? Inderdaad, een nieuwe manager veegde met zijn bezem. Mijn baan ging in de prullenbak. Het werd na een jaar vruchteloos zoeken naar een andere functie een zeer vroegtijdige pré-vut-pensionering. Dat kon toen nog, maar prettig is anders.

Zou het dan kunnen zijn dat ik misschien iets met publiciteit kon gaan doen voor het inloophuis voor thuis- en daklozen in Eindhoven? Eigenlijk was er meteen een klik. Mijn vrouw was een paar jaar gastvrouw geweest in de huiskamer en kook-vrijwilliger. Ik kende door haar verhalen het huis al een beetje.
Het bezoek aan de kathedraal deden we de volgende dag. Prachtige gebrandschilderde ramen in de kooromgang en het noordtransept. Aards en hemels ineen. Zeker een goede aanleiding om Metz te bezoeken. En na de vakantie nam ik contact op met het inloophuis en werd lid van het bestuur.
In een van de gesprekken die ik nog eens met een bevriende en ook afgezwaaide collega had vertelde ik van dit vrijwilligerswerk: ik ben na mijn gedwongen vertrek nu thuis gekomen in dit huis voor thuis- en dakloze mensen. Dit huis heet door en voor hen ’t Hemeltje. Ik herken dat.

Nu ik u aan het slot van dit verhaaltje aantref: Zou het kunnen zijn dat u misschien iets met publiciteit kunt gaan doen voor ’t Hemeltje? Mijn tijd van gaan is nu gekomen. Uw tijd van komen aangebroken?

Albert Feddes
Vrijwilliger bij ’t Hemeltje

Opvolging
Wegens het op handen zijnde vertrek van Albert Feddes ontstaat er binnenkort een vacature in de PR werkgroep voor iemand die af en toe artikelen voor de kerkbladen schrijft, werkers en bestuursleden van het Inloophuis aan hun jasje trekt om materiaal voor de nieuwsbrief en de website aan te leveren en de contacten tussen de PR werkgroep en het bestuur onderhoudt. Wat er nodig is voor deze functie: affiniteit met het Inloophuis en haar gasten, een vlotte pen en een goede taalbeheersing. Wat wij te bieden hebben: een afwisselende vrijwilligersbaan in een leuk team met enorme maatschappelijke relevantie. Iets voor u/jou? Neem dan contact op met onze secretaris: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of via Hemelrijken 117, 5612LC Eindhoven.

 

2017 SAMEN  juli / augustus - met thema Bijbel en geweld. Lees meer...

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Bijbel en geweld " op pagina 2 van Samen jaargang 46 no. 7

Bijbel en geweld, de inname van Jericho

Een poosje geleden werd bij een talkshow een passage voorgelezen uit een heilig boek. De deelnemers mochten raden uit welk boek het kwam. Omdat de tekst vol met geweld stond werd meteen “Koran” gezegd. De betreffende woorden kwamen uit de Bijbel. Deze actie moest bewijzen dat de Bijbel oproept tot gewelddadige acties. Mede door dit soort voorvallen in de media werd vanuit onze wijkgemeente de vraag gesteld hierbij stil te staan. Nu past het om te zeggen, dat geweldsteksten in de Bijbel niet zomaar weg te poetsen zijn. Ze blijven vragen oproepen.

Er lijkt een lijn te ontdekken in de bijbel, waarin zichtbaar wordt dat geweld een steeds minder grote rol speelt. Denk aan de toekomstvisioenen van de profeten en aan de vijandsliefde die Jezus en Paulus prediken. Maar helemaal vrij van geweldsgedachten lijkt de bijbel niet te zijn. Jezus zegt dat hij niet gekomen is om vrede te brengen maar het zwaard, Ananias en Safira vallen dood neer na een leugen en in de brieven van Paulus komt enig verbaal geweld voor. Ook de apocalyptische teksten over het wereldeinde zijn beslist niet vrij van geweldscenes. De vragen rond Bijbel en geweld zijn complex. In dit artikel wil ik echter stilstaan bij één passage, die vaak genoemd wordt in het verband van de Schriften en geweld: De verovering en vernietiging van Jericho. Voor velen een bekend verhaal, na te lezen in Jozua 6.

Vanuit welke werkelijkheid is dit verhaal door de bijbelschrijvers opgeschreven? De meeste bijbelgeleerden menen dat dit verhaal is verteld vanuit de ervaring van de ballingschap van het volk, zoveel eeuwen later dan toen het volk het beloofde land binnentrok.

Ver van hun verwoeste stad Jeruzalem en het beloofde land overziet het volk zijn situatie. Hoe heeft het zover kunnen komen? Ze zoeken de schuld bij zichzelf. Ze hebben niet geluisterd naar wat de Schepper en Bevrijder van hen vroeg en zijn hun land om die reden kwijtgeraakt.

Vanuit die situatie en gevoelens van vervreemding vertelt men over toen, lang geleden, zoals over Jericho. Niet zozeer het historische, maar het theologische verhaal, het gelóófsverhaal. Opvallend genoeg staat dit verhaal in het teken van bevrijding. Even eerder wordt de intocht in het land, het oversteken van de rivier de Jordaan, in direct verband gebracht met de Uittocht door de Schelfzee uit Egypte, uit het huis van de slavernij. Daarbij diende de tocht geheel in het teken van de leefregels van God te staan, waarvan de basis sjaloom is, vrede, welzijn, recht.

De stad Jericho wordt niet met paarden en wagens ingenomen, maar met muziek, met liturgie, een processie doet de muren omvallen.

Bij het veroveren en vernietigen mag de hebzucht niet zegevieren. Dat was de bedoeling van de regels rond de ban.

Op deze wijze staat het verhaal als spiegelverhaal in het teken van het land als gave én opgave. De ontvangen leefruimte moest een samenleving herbergen als voorbeeld van hoe mensen konden leven volgens Gods bedoelingen.
Tegelijkertijd wordt ook nog de nadruk gelegd op een niet-israëlitische die de leefregel en de bevrijdende beweging van uittocht en Intocht wel begrepen heeft, een publieke vrouw.

Dit verhaal vertellen ze dus ver verwijderd van hun kwijtgeraakte stad en land en verbijsterd vragen ze zich af, hoe het mogelijk was, dat ze de gegeven leefruimte naar zich toegetrokken hebben, onrecht gedaan, afgoderij bedreven, gedaan wat kwaad was in de ogen van de Allerhoogste, een refrein dat door alle Bijbelboeken heenloopt. Zal er een weg terug zijn? Als er wél geleefd volgens de door God gewezen weg? Kan het ontrouwe volk weer in staat zijn de bevrijdende God te ontdekken, de goede liturgie vieren, niet op verkeerde, gewelddadige bondgenoten leunen en uiteindelijk niet op wapens te vertrouwen maar op God? Zodat er nieuwe levensruimte ontstaat: hoop, omkeer en terugkeer. De profeten beelden met visioenen uit dat God ervoor zal zorgen, dat zijn volk terugkeert en alle volken de vrede zullen leren.

Blijft de vraag waarom dit “spiegelverhaal” van en voor het volk in geweldsteksten moest worden verwoord. Wat dit betreft is het niet onbelangrijk om te reconstrueren hoe de historische “in bezit name” zich heeft afgespeeld. Daar zijn vele theorieën over, mede op grond van archeologische vondsten, die mogelijk enige relativering aanbrengen. In dit artikel moet ik dit punt laten liggen. Wel lijkt het goed bij deze passages rekening te houden met de context, waarin de goddeloze machten die het volk omringden eeuwenlang dreigden met geweld, plundering en brute afgoderij. Daar, middenin het geweld van de wereldmachten met hun paarden en wagens mocht het volk een God belijden, die boven deze machten stond en daarmee strijd leverde. Deze strijd had echter geen ander doel dan dat de wapens uiteindelijk zouden omgesmeed worden tot ploegscharen (Micha 4) tot vrede voor alle volken. Helaas zijn er in de geschiedenis steeds weer mensen geweest die dit soort geweldsteksten in dienst namen voor hun eigenbelang en gruwelijke dingen hebben gedaan. Gelukkig zijn er altijd anderen geweest, die weliswaar niet altijd wisten te onderscheiden tussen legitiem en illegitiem geweld, maar die in woord en daad hebben gezocht naar een goede focus. Natuurlijk zijn die oude geweldsteksten, zoals over Jericho, niet zomaar toe te passen, maar ze roepen wel vragen wakker. Staan we ten diepste in dienst van wapens en eigenbelang of in de allereerste plaats in dienst van Gods leefregel. Is ons geloven en denken ingebed in een liturgie, zoals rond Jericho, een godsdienstoefening, die helpt de goede blikrichting te houden. Kunnen we ons oor ook te luisteren leggen bij de vreemde, die de dingen soms beter kan doorzien, zoals die vrouw op de muren van Jericho? Vanzelfsprekend roepen de vragen rond bijbel en geweld ook de instelling van Jezus wakker, die in uiterste overgave de weg van de vrede ging. Dit alles brengt ons bij de afweging hoe wij vandaag omgaan met allerlei vormen van fysiek en verbaal geweld, om nog maar te zwijgen van alles wat er aan geweld via de sociale media binnenkomt.

Elbert Grosheide

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Bijbel en geweld" op pagina 3 van Samen jaargang 46 no. 7

De weg naar vrede

Hoor Israel …
Israël had een monotheïstisch godsbeeld, dat bij uitstek verwoord werd in het zogeheten Sjema (Hoor Israël, de Heer uw God, de Heer is Eén!) en in het eerste gebod. Jhwh was uniek, de Enige die zich Allerhoogste mocht noemen. Naast Jhwh werden geen andere goden of godsbeelden getolereerd. Veel van de zogeheten ‘geweldsteksten’ kunnen in het kader van een dergelijke ‘godenstrijd’ (psalm 2) worden gelezen.
Maar er is ook een hele serie verhalen te noemen waar de inzet van geweld gericht is op het bereiken van het beloofde land dat model staat voor een samenleving waarin het kwaad geen plaats meer heeft. Het kwade komt overigens niet alleen ‘van buitenaf’, maar evenzeer ‘van binnenuit’. De 10 wegwijzers zijn daarbij als het ware de piketpaaltjes voor zo’n land van vrede.

Shalom ….
Vrede is niet simpelweg de afwezigheid van oorlog maar is vrede naar binnen (in jezelf) en naar buiten (de ander, de samenleving). De mens die vrede kent, komt tot haar recht en is verbonden met de A/ander. Dit visioen van vrede is in Israël altijd nadrukkelijk gekoppeld geweest aan verbondenheid met de Allerhoogste. Wie vertrouwde op de Ene mocht hopen op vrede.

Vloekpsalmen en kyriegebeden
Paradoxaal genoeg wordt omwille van de vrede heel vaak strijd geleverd. Er zijn vele verhalen op te lepelen die voor een argeloze lezer nogal bloeddorstig overkomen, verhalen vol wapengekletter. Maar wie dieper graaft ontdekt dat het niet alleen fysieke strijd betreft, maar ook een ethisch en liturgisch gevecht tegen het kwade.
In het Oude Oosten kende men zogenaamde vloekpsalmen en gebeden, en ook psalm 137 staat in die traditie. Door zo’n vloekgebed ziet de bidder als het ware af van eigen wraakneming en laat het oordeel over het kwaad aan hogere machten. En bij wie kun je dat beter doen dan bij de Allerhoogste, die een afschuw heeft van onrecht en van het kwade? De bidder spreekt daarmee uit: ik ben niet in staat het kwaad te bestrijden, maar de Allerhoogste kan het wel. Het kwaad wordt daarmee in een liturgisch kader geplaatst. Het is als het ware een vooruitlopen op het grote eindgericht over alle kwaad.

‘Mijn vrede geef ik u’
Volgens het Johannes-evangelie sprak Jezus deze zin tot zijn leerlingen tijdens de laatste maaltijd. Deze zin wordt ook vaak aangehaald als zogenaamd bewijs dat in het voetspoor van Jezus slechts vrede en liefde te vinden zouden zijn en dat in tegenstelling tot het Oude Testament er geen geweld voorkomt in het Nieuwe Testament. De vraag is echter of dit onderscheid wel terecht is.
In de aloude verhalen laten de boeken van Torah, Profeten en Geschriften zien dat vrede en leven in overvloed alleen te vinden zijn als je in opstand komt en opstaat tegen zogenaamde afgoden, tegen onrecht en tegen de macht van het kwaad. Maar deze weg naar de vrede betekent niet dat wij ons letterlijk moeten bewapenen tegen het kwaad. Integendeel, de strijd tegen het kwaad is een strijd die in handen van de Allerhoogste gelegd moet worden. Ooit zal het kwaad definitief vernietigd worden via een soort eindgericht in de toekomst. Daarom is de profetische en apocalyptische literatuur ook zo uitgebreid: het laat zien dat het kwaad uiteindelijk te gronde gaat en dat de vrede meer dan alleen een vaag visioen zal zijn. De zogeheten geweldsteksten zijn geen verheerlijking van wapengekletter. Ze zijn in de taal van toen verwijzingen naar een ander niveau waarop de vrede gevonden moet worden: via de liturgie en ethiek.
In de brieven en in Openbaring vinden we eenzelfde gedachtenlijn terug. Daar strijdt niet alleen de mens maar ook God zelf tegen het kwaad. Nog duidelijker dan in het Oude Testament is daar helder dat de mens moet afzien van eigenrecht. God zet dingen recht, dus hoeven wij dat niet te doen. Zo wordt ook in de evangeliën ons geleerd: je ontwapent het kwaad en het geweld door ánders dan verwacht te reageren. Als iemand jou slaat op de rechterwang – keer hem de linkerwang toe. Vergroot het uit, overdrijf het, daag die ander uit – en hij zal inzien hoe absurd het is om via geweld tot recht en vrede te komen. Vergelijk het met de zoutmars van Gandhi, de geweldloosheid van de Mennonieten …

Een alternatief voor geweld
Elke generatie staat voor de vraag hoe je vrede kunt bereiken en het kwaad kunt bestrijden. Als je geweld veroordeelt moet er wel een ethisch alternatief zijn. In de bijbelse boeken wordt die gevonden in de wijsheid en in de psalmen - en daarmee in de liturgie. Via het liturgisch en ethisch handelen wordt de weg van geweld omgezet in de weg richting de vrede die ruim baan moet krijgen. En in zekere zin doen wij dat ook vandaag nog in onze liturgie, als we in het kyrie tot de Allerhoogste roepen om ontferming voor de nood van al die mensen die ons tot in het hart raakt. Wij zijn niet in staat om alle nood te lenigen, om elk kwaad te bestrijden. Maar we kunnen het kwaad wel ‘zichtbaar’ maken en het overlaten aan hogere machten dan wijzelf om het kwaad te bestrijden.

Tineke Boekenstijn

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Bestuurlijk nieuws" op pagina 4 van Samen jaargang 46 no. 7

Samenwerking

In Den Haag worden verwoede pogingen gedaan om tot een nieuw kabinet te komen. Het versnipperde politieke landschap betekent dat samengewerkt moet worden. Maar de een wil niet met de ander, de ander niet met de volgende, de rode wil niet met de blauwe, de groene wil niet met de christen, die en die wil helemaal niet… Dan wordt het lastig. Wat blijft nog over?

Binnen de PGE willen we volgend seizoen het thema samenwerken ook op de agenda zetten. Niet omdat we nu een acuut probleem hebben, wel omdat de AK risico’s voor de toekomst ziet. Die risico’s worden ingegeven door een krimpende kerk, de toenemende moeite om vrijwilligers en kader te enthousiasmeren en de dalende inkomsten. Meer nog dan in het verleden zullen we het samen moeten doen.

Op dit moment is de situatie in de PGE behoorlijk stabiel: de drie wijkgemeenten hebben ieder hun huis, hun predikant(en), hun kinderen, jongeren, ouderen en senioren, hun activiteiten, hun plannen. Dat betekent niet dat niets te wensen is en dat geen ambities bestaan voor het komend seizoen. Die zijn er zeker.

Plannen kosten geld. Hoewel voldoende geld zit in het eigen vermogen van de PGE, verwachten we de komende jaren een toenemend jaarlijks exploitatietekort. Hoe willen we daarmee omgaan? Dekkende begrotingen tegen elke ‘pastorale prijs’? Uitgeven, opmaken en de boedel leeg overlaten aan een volgende generatie? Wat gunnen de wijkgemeenten elkaar? Hoe gaan we om met het aanvragen van subsidies voor specifieke doelen? Op welke punten kunnen de wijkgemeenten profiteren van elkaars kennis en kunde? Hoe beperken we de bestuurslast in een gemeente met drie wijkgemeenten? Hoe zijn we één PGE met drie wijkgemeenten in plaats van drie PGE’s? Dit zijn het soort vragen waar we het komende jaar mee aan de gang willen. We willen dit aanvliegen vanuit een inhoudelijk perspectief: waar ziet ieder van de wijkgemeenten zich over 5-10 jaar staan, wat betekent dit voor de omgang met elkaar, wat betekent dit voor de samenwerking? In de zomer zullen we een proces uitwerken. In de gesprekken willen we de wijkkerkenraden (bv. een heidag) en gemeenteleden (bv. op de gemeenteavond) nadrukkelijk betrekken.

Tot slot een visie: Samenwerken betekent respecteren van de verschillen en met elkaar werken aan een gezamenlijk doel.

Ik wens u allen een hele goede zomertijd toe. Hartelijke groet,

Benjamin Jansen

 Onderstaande artikel staat in de rubriek "Varia" op pagina 4 van Samen jaargang 46 no. 7

Emeritus

Dit Latijnse woord heeft twee betekenissen: uitgediend en onbruikbaar. Bij de Romeinen was een emeritus een uitgediend soldaat. Tegenwoordig gebruikt men het woord vooral voor geestelijken, hoogleraren en overheidspersonen die met pensioen zijn. Pensionering is nu behoorlijk geregeld, maar in de zeventiende en achttiende eeuw werkten mensen tot het niet meer ging. Dat was ook zo voor predikanten. Die dienden vaak tot hoge leeftijd, soms tot zij in de zeventig waren. Eerst kregen of zochten zij dan ter verlichting een hulppredikant naast zich. Diens loon ging dan meestal van hun eigen inkomen af. Als een predikant het echt niet meer kon opbrengen om te blijven werken, verleende de classis hem emeritaat. Soms waren al eerder klachten uit de gemeente gekomen over de gebrekkige ambtsbediening van de dominee. Die verwaarloosde bijvoorbeeld het geven van catechisatie of hij vergat zondags in de kerkdienst voor te gaan. Of hij kwam wel, maar preekte te kort, minder dan een half uur. Behalve dat zo’n predikant veel begon te vergeten, gebeurde het ook dat hij zich vreemd en verward begon te gedragen. De classis liet zich dan nader informeren over zijn gedrag. De classis-Den Bosch concludeerde bijvoorbeeld in 1720 over dominee Hermannus Antonides van der Linden te Hoge en Lage Mierde, die al eerder had geklaagd dat hij afgesloofd was en nu emeritaat vroeg, dat hij zwak van verstand en van memorie was geworden, onnozel en onbekwaam tot enige dienst. Blijkbaar begon hij te dementeren, maar dat verschijnsel begreep men toen niet zo goed. Het kwam ook wel voor dat een predikant een dermate vreemd gedrag vertoonde, dat hij krankzinnig werd verklaard en zo emeritus werd in beide betekenissen.

Gerard van Gurp

Onderstaande artikel staat in de rubriek "In de Cathrien" op pagina 5 van Samen jaargang 46 no. 7

Vier met ons 150 jaar Catharinakerk

De stadskerk, midden in het centrum van Eindhoven, bestaat 150 jaar en dat wordt gevierd in de maand september.

De Sint-Catharinakerk is een ontwerp van Pierre Cuypers (1827-1921), ongetwijfeld een van de belangrijkere bouwmeesters van de negentiende eeuw. Cuypers was een jong en veelbelovend architect toen hij door de Eindhovense parochie werd benaderd om een ontwerp te maken voor een nieuwe stadskerk. Het is een rijk en monumentaal kerkgebouw dat de ambities van een zelfbewuste jonge industriestad moest onderstrepen.
Veel tekeningen en schetsen, vaak nog eigenhandig door Cuypers gemaakt, zijn bewaard gebleven. Deze zijn te zien in de huidige tentoonstelling, samen met enkele bewaarde bouwelementen, beelden en andere voorwerpen.
Het ontwerp is geïnspireerd door de Franse 13de eeuwse gotische architectuur. Karakteristiek zijn de twee zeventig meter hoge torens die verschillend van vorm zijn. De zuidelijke toren verbeeldt de zuiverheid van Maria en is ranker dan de noordelijke toren die de kracht van David symboliseert. De radvormige vensters symboliseren het attribuut van de heilige Catharina van Alexandrië. De huidige kerk is gebouwd op de plaats van de in 1860 afgebroken middeleeuwse kerk.

Deze monumentale kerk is eigendom van de gemeente Eindhoven en het beheer ervan is in handen van de rooms-katholieke kerk. Er zijn nogal wat mensen en groepen actief in deze stadskerk, hetgeen tot uitdrukking komt in het jubileumprogramma.
Naast de huidige expositie start op 2 juli de tentoonstelling over de veranderende omgeving van de kerk en op 19 september de tentoonstelling over haar kunstschatten. Over deze onderwerpen worden ook lezingen gegeven door landelijk bekende deskundigen op dat gebied.

Muziek speelt een belangrijke rol in het jubileumprogramma. Momenteel zijn beide orgels naar Bonn voor restauratie, maar deze zijn tijdig voor de feestmaand weer terug. Dan zullen onder andere de Maria Vespers van Monteverdi ten gehore gebracht worden. Op de Nationale Orgeldag zal het orgel officieel opnieuw in gebruik genomen worden.

Zoals elk jaar zal ook dit jaar de kerk een centrale plaats innemen tijdens Glow; maar dit jaar mag u daar wel iets bijzonders van verwachten!

Alle gebruikers van de kerk spelen een rol in deze feestmaand. Er zal een jubileum eucharistieviering plaatsvinden. Waarin de bisschop van ‘s-Hertogenbosch, mgr. Gerard de Korte zal voorgaan. Tijdens deze viering wordt de Messe a deux choeurs et deux orgues, van Charles-Marie Widor, uitgevoerd. Ook de stadsorganist, Ruud Huijbregts, en de beiaardier Rosemarie Seuntiëns verlenen hun medewerking, evenals de koren. Bij gelegenheid van het jubileum zal in de Choral Evensong onder andere een nieuw Magnificat en Nunc Dimitis van Bob Chilcott gezongen worden. De St. Catharinagilde Eindhoven-stad levert haar bijdrage met onder andere het traditionele koningsschieten dat plaatsvindt in het Stadswandelpark.

Voor onze gasten van het Open Huis is er op 26 augustus een Ontmoetingsmarkt op het bordes, ‘de voorhof’ van de kerk.

Bent u nieuwsgierig geworden? Dan nodigen wij u graag uit om dit jubileum met ons mee te vieren. In de kerk zijn boekjes verkrijgbaar met meer informatie en het volledige programma. U kunt ook de website bezoeken: www.150jaarcatharinakerk.nl

Namens de voorbereidingscommissie,
Anneke Nieuwenhuizen

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Dienen" op pagina 6 van Samen jaargang 46 no. 7

Kerk in Actie: Geloven in delen (vervolg)

Achter zijn houten bureau in Zahle, ruim vijftig kilometer ten oosten van Beiroet (Libanon), slaakt aartsbisschop Boulos van de Syrisch-Orthodoxe Kerk een diepe zucht. Zijn kerk, de Syrisch-Orthodoxe Kerk, ontfermt zich over ruim driehonderd Syrische gevluchte families. En dat valt de gemeenschap soms zwaar.

De meeste Syriërs die naar Zahle zijn gevlucht, bivakkeren aan de randen van de stad in een uitgestrekte zee van zelfgebouwde tenten en hutjes. Voor christenen is het een logische stap om bij aankomst in Libanon aan te kloppen bij de kerk. “We laten onze kerkgenoten niet als bedelaars in tenten bivakkeren,” zegt Boulos vastbesloten. “Dat zou ik met mijn eigen broer toch ook niet doen?” De berooide christelijke gezinnen vragen zijn kerk om hulp. “Mensen komen met lege handen. Het stel kleren dat ze aan hebben, is vaak het enige dat ze bezitten,” vertelt Boulos. “We moedigen Libanese christenen aan om hun huizen open te stellen, of om kleding of eten te geven. Als christenen zijn we tenslotte familie van elkaar. Maar omdat de meeste gezinnen uit Syrië alles kwijt zijn, wordt onze gastvrijheid tot het uiterste toe opgerekt.”

De kerken draaien zelf op voor de kosten welke zij maken voor het opvangen van de vluchtelingen. “De VN concludeert dat vluchtelingen die relaties hebben en ergens kunnen logeren, niet in aanmerking komen voor (voedsel-)hulp.” Syrische christenen die aankloppen bij lokale kerken vallen daardoor buiten de boot. Aartsbisschop Boulos en zijn kerk moeten het onderste uit de kan halen om de eindjes aan elkaar te knopen. Zelf slaapt hij regelmatig slecht door alle zorgen welke hij hierover heeft. “Maar,” zegt hij stellig, “ik stuur niemand die om hulp vraagt met lege handen weg.“ Bescheiden vraagt hij of de kerk in Europa een steentje wil bijdragen. Met steun van donateurs en kerken in Nederland ondersteunt Kerk in Actie de Syrisch-Orthodoxe Kerk en andere kerken in het Midden-Oosten bij noodhulp aan vluchtelingen.

Boek ‘MENSEN VAN HOOP’. Ondanks alle moeilijkheden wil de kerk in het Midden-Oosten tot zegen zijn voor mensen op de vlucht. In het boek ‘Mensen van hoop’ leest u het hele verhaal van aartsbisschop Boulos en andere verhalen van hoop.
Het boek is gratis te bestellen via www.gelovenindelen.nl

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Column" op pagina 8 van Samen jaargang 46 no. 7

Als we moeten schieten hebben we al verloren ...

Op de avond over bijbel en geweld bogen we ons over de vraag: wat moeten we met die bijbelteksten die oproepen tot geweld? Het gaat er soms behoorlijk ruig aan toe, denk aan het slot van psalm 137. Met elkaar ontdekten we dat in de context het hier eigenlijk altijd gaat om het radikaal en compromisloos afwijzen van het kwaad in wereld: het offeren van de zwakken en weerlozen aan afgoden zoals macht, rijkdom en genot leidend tot onderdrukking, honger, genocide, acht mensen met evenveel bezit als de armste helft van de wereld, noem maar op. De bijbel roept op tot het met wortel en tak uitroeien daarvan. Een verbond met dat kwaad, ook tijdelijk, is uitgesloten. Tegelijk roept de bijbel tot ruimhartigheid naar andere mensen, vergeving; geweld roept meer geweld op, keer de andere wang toe.

Schijnbaar tegenstrijdige boodschappen, dus. Maar kijk naar het totale, maar noodzakelijke geweld in de Tweede Wereldoorlog om de fascistische terreur volstrekt uit te roeien, dat werd gevolgd door de ruimhartigheid van de overwinnaars aan Duitsland om in vrede opnieuw te beginnen. Hier zijn beide bijbelse boodschappen duidelijk naast elkaar hoorbaar. Het resultaat is er naar: een al bijna drie-kwart eeuw voortdurende vrede in West-Europa, historisch ongekend, met recht een wonder.

Dat is een mooie uitkomst van zo’n discussieavond, geweld heeft in de bijbelse context een begrijpelijke plaats en het blijkt vertaalbaar naar onze huidige tijd. En toch blijft het wringen. Is het altijd zo simpel? Srebrenica dringt zich op aan de gedachten. Met een zoon op de Koninklijke Militaire Academie (KMA) die als officier op vredesmissies straks voor soortgelijke dillema’s kan komen te staan krijgt dat een extra dimensie. Dat was trouwens voor ouders die nog meeliepen in de kruisrakettendemonstraties wel even slikken, maar dat bleek mee te vallen. Er is op de KMA veel aandacht voor soft skills, voorbereiding op humanitaire missies en de teneur is: als we moeten schieten hebben we eigenlijk al verloren.

Hoe zat dat ook al weer in Sebrenica: moest de enclave met geweld verdedigd worden? Waarschijnlijk een verloren zaak met de beschikbare lichte wapens en zonder luchtsteun, resulterend in veel militaire slachtoffers en de waarschijnlijkheid van bloedige wraakacties op de bevolking, want geweld roept geweld op, zo zeiden we al. Of kiezen voor de geweldloze weg en de menselijke redelijkheid? We kennen de uitkomst en het gevoel, voor sommigen de overtuiging, dat de volstrekt verkeerde keuze is gemaakt. In deze weerbarstige praktijk bleek het onderscheid tussen het abstracte kwaad en de concrete menselijkheid van de tegenstanders toch niet zo scherp te trekken.

We zijn er nog niet, het gesprek en de zoektocht gaan verder.

Greet de Boer en Wouter Leibbrandt

Onderstaande artikel staat in de rubriek "ZorgSamen" op pagina 8 van Samen jaargang 46 no. 7

Ken je mij?
Iedere dag word ik wakker om 7 uur. Begint de dag met havermout, kinderen op tijd op de juiste plek krijgen en dan even bijkomen op de fiets richting Eckartdal. Een cadans die met de loop der jaren telkens een beetje verandert. Van kinderdagverblijf naar school. Van brood, via yoghurt naar havermout. En straks hebben mijn kinderen mij niet meer nodig om veilig naar school te gaan en gaan ze zelf. Mijn oudste zwaait bij de brievenbus, na een gevaarlijke kruising nog even en zet dan de sokken erin, alleen op weg naar school. De eerste keer dat hij dat deed, in februari van dit jaar, slikte ik even. Mijn tranen waren van ontroering – wat wordt hij al groot – en weemoed: wat vliegt de tijd en wat kan hij al veel zelf! Nu, na enkele maanden, vind ik het vooral een zegen om hem zo zelfstandig te zien worden. Een enorm contrast met de mensen voor wie ik werk. Velen van hen kunnen deze vorm van zelfstandigheid, van jezelf staande houden in de chaos van de wereld, onmogelijk bereiken. Wie wil je kennen als je niet bent zoals anderen? Wie vind jou de moeite waard als je afwijkt van die harde norm die bepaalt wat normaal is en wat niet? Wie wil naast je zitten in de bus? Wie vindt het fijn als je nieuw naast hem of haar komt wonen? Julia is eraan gewend. Ze zit alleen voor haar huisje in een straat waar, zoals zij zelf zegt, “iedereen me niet moet omdat ik achterlijk ben.”
Ze is eraan gewend dat buren haar niet graag zien komen vanwege haar andere manier van doen. Door hoe ze eruit ziet, is het zonneklaar dat ze anders is dan anderen. Gelaten zegt ze in een kennismakingsgesprek met mij: “Jij bent er tenminste aan gewend om om te gaan met mensen die anders zijn. Daarom vertrouw ik alleen nog maar mensen van Lunet zorg. Zij accepteren me tenminste zoals ik ben.”
We praten wat over haar moeilijke leven. Over haar vader en moeder die niet voor haar konden zorgen. Over haar zus die als door een Godswonder normaal was. En die het daar ook weer moeilijk mee heeft als mantelzorgen voor haar hele gezin. Over de vele huizen, scholen en internaten die ze in haar nog zo korte leven heeft gezien. Ik vraag haar of ze zich thuis voelt in Eindhoven. “Ik kan me nergens thuis voelen. Daar heb ik me bij neergelegd.” Ik denk vaak: als geestelijk verzorger ben ik gespecialiseerd in het niet-oplosbare problemen. Als er niks te fiksen is, dan kom ik vaak om de hoek kijken. Om dat dan maar onder ogen te zien .Ik fiets naar huis en neem na dit gesprek de toeristische route via de Genneper parken. Zo stel ik het thuiskomen en die hectiek nog even uit. En ik denk aan Psalm 139, vertolkt door Trijntje Oosterhuis: “Ken je mij, wie ken je dan? Weet jij mij beter dan ik?” Thuiskomen is ook in dit lied een vraag, je geborgen weten een zoeken. Wat gun ik Julia mensen die dat willen: haar beter kennen dan zij zichzelf kent. Oude woorden, vertaald door Oosterhuis naar mensen nu, geven mij zelf even troost nu ik het ook niet meer weet. Alles verandert, ook in mijn eigen leven. Ik koester wat was en voel me gezegend dat ik mensen heb in mijn leven die mij willen kennen. Hopelijk mijn leven lang.

Karin Seijdell

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Dienen" op pagina 9 van Samen jaargang 46 no. 7

Werk!!??

Werk is in Nederland nog steeds een heilige koe en wordt door de regering gezien als dé oplossing voor alle problemen. Sinds tientallen jaren zijn er miljoenen, zo geen miljarden, gestoken in de bestrijding van werkloosheid met ieder jaar een andere, nog mooiere leus, als zelfredzaamheid, eigen kracht en participatie.

Ondanks dat is de conclusie van het laatste onderzoeksrapport verpletterend: alle stimulering, controles en boetes hebben niets uitgehaald. Het werkloosheidscijfer blijft hoog en zal ongetwijfeld nog groeien nu duidelijk wordt dat, buiten de statistieken om, er nog de ZZP-ers zijn, waarvan het aantal met een lege portefeuille wordt geschat op ongeveer 100.000.

Maar voorlopig blijft de hele ambtelijke wereld doormodderen. Je vraagt je af waarom ambtenaren niet in opstand komen en vanuit hun dagelijkse praktijk gewoon zeggen hoe het er voor staat, namelijk dat het ondanks alle geld en honderd nieuwe plannen, blijft dweilen met de kraan open. Daar komt nog bij dat diezelfde overheid tegelijkertijd de technische ontwikkelingen stimuleert, waarbij robots steeds meer mensenwerk overbodig maken. Het is een kwestie van tijd tot we horen van zelfreinigende auto’s, huizen, plantsoenen en straten.

Je hoeft geen glazen bol te hebben om te zien dat dit in de toekomst alleen maar verder gaat. Dus stop met pappen en nathouden, bedenk eens nieuwe plannen of experimenteer met de plannen, die er al zijn.

Zo’n plan is het toch al weer veertig jaar geleden ontwikkelde Basisinkomen. Toen is al berekend dat het mogelijk moet zijn bij een andere verdeling van gelden. De Stichting Basisinkomen-2018 heeft de meest idealistische versie en wel om iedere Nederlander 800.- tot 1000.- euro per maand te geven (vergelijkbaar met de AOW).

Een ander plan is enkele weken geleden gelanceerd door het TV-programma Radar met een handtekeningenactie. Hun voorstel is om het basisinkomen in te voeren voor werklozen vanaf 55 jaar. Deze leeftijdsgroep heeft slechts 3% kans om nog werk te vinden. Hier heb je zelfs geen gezond voor verstand nodig om te begrijpen wat een vast inkomen zal brengen aan stabiliteit en zekerheid.

Zo kan er een eind komen aan het bureaucratische gehannes in de uitkeringenwereld. Natuurlijk leidt dit tot ontslagen onder de ambtenaren, maar ook zij hebben dan recht op een basisuitkering en kunnen eindelijk het belastende werk, de soms dagelijkse bedreigingen en het gejaag op fraudeurs achter zich laten en op zoek gaan naar een kleine of grote baan. Dat kan dan zonder haast, naar eigen keuze en in alle rust, want de financiële basis is er al.

Geeske van der Veen

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Samen naar buiten" op pagina 9 van Samen jaargang 46 no. 7

Loopt U even een dagje mee in het Open Huis?

De ochtenddienst begint om kwart voor tien. De vrijwilligers beginnen in de keuken, maken brood, zetten koffie en thee en zorgen dat alles klaar staat in de Ontmoetingsruimte. Rond kwart over tien drinken we zelf koffie, en lezen we het logboek om te zien of er nog bijzonderheden zijn. Om half elf gaan we open voor onze gasten, de meeste komen dagelijks en kennen de gang van zaken.
Die ochtend komt er een voor mij nieuwe gast. Hij is geëmotioneerd, en wil graag op een rustig plekje even met mij praten.
We gaan ergens in een hoekje van de ontmoetingsruimte zitten. Hoewel hij zeer gebrekkig Nederlands spreekt, wordt het mij uiteindelijk duidelijk dat, zijn uitkering is stopgezet, om voor hem onduidelijke redenen.
Hij wil bellen met het UWV, en omdat hij geen beltegoed heeft, vertel ik hem dat hij in dat geval gebruik kan maken van de telefoon op het politiebureau. Opgelucht en vol goede moed gaat hij op pad. Wanneer hij tussen de middag terug komt voor de maaltijd, vertelt hij dat de regeling veranderd is. Een keer per week kunnen mensen met vragen zich melden op het spreekuur bij de UWV. Vanzelfsprekend maak ik hiervan een notitie voor de andere vrijwilligers; het is fijn als je iemand direct naar het juiste adres kunt verwijzen! Dat voorkomt dat mensen het gevoel hebben van het kastje naar de muur gestuurd te worden.
Die dag gebruiken 17 gasten met ons de maaltijd; er is soep, brood, koffie en of thee en fruit. Tijdens de lunch praten de gasten met elkaar: het samenzijn voelt als een grote familie! ‘s Middags zijn er twee andere vrijwilligers en dan zijn er niet alleen onze ‘eigen gasten’, want het Open Huis fungeert ook als wachtkamer voor mensen die een afspraak hebben bij het Steunpunt Materiële Hulpvragen. Zo meldt zich die middag een vrouw, zij moet even wachten, omdat de afspraken wat uitlopen. Als ik haar dat vertel merk ik dat ze zenuwachtig is, ik ga even bij haar zitten. en probeer haar gerust te stellen. Dan vertelt ze dat een maatschappelijk werkster haar heeft verwezen; ze is hier nooit eerder geweest. Uit haar verhaal blijkt maar weer eens hoe moeilijk het voor mensen is om ergens aan te kloppen voor hulp. Na afloop van het bezoek aan het Steunpunt, vertrekt zij opgelucht naar huis.

Ineens komt een van onze vaste gasten, hij komt afscheid nemen. Hij gaat 14 dagen ‘logeren’ na een meningsverschil met een agent. Ik wens hem sterkte, maar voor ik het weet is hij ook al weer vertrokken. We drinken nog een kopje thee en we praten nog wat met onze gasten. Dan is het sluitingstijd; de dag is weer voorbij gevlogen en we nemen voor die dag afscheid van elkaar. De gasten gaan naar buiten, de straat op, gelukkig is het lekker weer. We kijken terug op een gezellige dag, zowel voor onze gasten, als voor onszelf!

Loes Laurense, vrijwilliger Open Huis sint Cathrien

Onderstaande artikel staat in de rubriek "TINT" op pagina 13 van Samen jaargang 46 no. 7

Building Bridges towards a Global Village

We lijken soms te leven in een wereld waar we door de media gebombardeerd worden door negativiteit en verschrikkingen. We hebben een president in de VS die meer op een komiek lijkt dan op een leider. En mensen zijn tegenwoordig soms huiverig als ze naar een grote stad moeten reizen. Soms lijken de normen en waarden die we aan onze kinderen leren niet meer van toepassing. ‘Samen delen, samen spelen’ is een ideaal geworden dat steeds minder in de echte wereld terug te vinden is. Gelukkig heb ik laatst een andere wereld mee mogen maken. Tijdens een evenement waar we niet bezig waren met de verschillen tussen de mensen, maar ons juist richtten op de gelijkenissen. Ik heb gezien dat er bruggen werden gebouwd.

Al voor de derde keer heb ik het International Dinner mee mogen maken. Dit is voor ons het grootste evenement in het jaar. De eerste keer heb ik het meegemaakt als gast, toen ik TINT nog maar net kende. Vervolgens heb ik twee keer mogen helpen in de organisatie, waar ik de rest van het team mocht versterken. De eerste keer dat ik het evenement had meegemaakt heette het nog het Asia Dinner; het jaar erna hebben we besloten dat niet alleen de Aziaten centraal staan als het gaat om internationalisering, maar dat er veel meer culturen aanwezig zijn in Eindhoven, zowel in de stad, als op de universiteit. Dit jaar was het belangrijkste verschil voornamelijk dat we ons niet richtten op de verschillen, maar dat we meer bezig waren met de samenhang. Dat komt enerzijds omdat het niet interessant is om elk jaar dezelfde cultuurverschillen uit te leggen, maar anderzijds ook omdat we van mening zijn dat we er meer baat bij hebben om te kijken naar hoe we gelijk zijn. De titel van het diner was dit jaar dan ook: ‘Building Bridges towards a Global Village’. Ook dit jaar werd het diner gesponsord door Eindhoven Studentenstad.

Tijdens een bordspel dat ontwikkeld is door een Eva de Bruijn, studente aan de TU/e, hebben de gasten elkaar leren kennen door het stellen van persoonlijke vragen. Één van de vragen was bijvoorbeeld: ‘Wat is de meest speciale foto op je telefoon en waarom?’ Met eigenlijk hele eenvoudige vragen, leerde men elkaar gelijk op een andere manier kennen. Gasten vanuit verschillende culturen en leeftijdscategorieën kregen zo heel simpel de gelegenheid om kleine bruggetjes te bouwen. Onder het genot van een heerlijke Afghaanse maaltijd en een fijn gezelschap kon iedereen even terugkeren naar de nostalgie en de simpelheid van vroeger. ‘Samen spelen, samen delen.’ Gelukkig is de wereld op microniveau soms nog enorm aangenaam en het is fijn dat we ons niet altijd bezig hoeven te houden met waar de media ons bang voor maakt. Dit is iets wat de tweede spreker, Jan Willem Alphenaar, heeft kunnen bevestigen. Allereerst heeft hij de tip gegeven om een goede mix aan nieuwskanalen te volgen, zodat je nooit een eenzijdig verhaal krijgt. Tenslotte gaf hij de tip waarmee je het fijne contact ook via social media kunt hebben. Je hebt zelf in de hand wie je volgt en wie je ziet, dus je kunt er ook voor zorgen dat je voornamelijk fijne en goede mensen volgt. Op deze manier kun je zelf ook via social media een fijne sfeer creëren en positieve bruggen bouwen!

Cees Gniewyk, Studentassistent @ TINT

2017 SAMEN  juni  - met thema Waarden. Lees meer...

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Waarden" op pagina 2 van Samen jaargang 46 no. 6

Wat zijn onze waarden

Wat zijn waarden ?
Waarden zijn opvattingen die we met elkaar delen en die ons gedrag voor een belangrijk deel in het “gareel” houden. Een waarde kan bijvoorbeeld zijn dat we vinden dat we ‘lief moeten zijn voor elkaar’. Maar het kan ook zijn dat we veel waarde hechten aan ‘de sterkste wint’ of ‘iedereen moet zoveel mogelijk vrij zijn om te zeggen en te doen wat zij of hij vindt’. Soms worden waarden vertaald in ‘normen’. Verkeersregels zijn een mooi voorbeeld daarvan. Dan heb je de waarde om iedereen ruimte te bieden om zich te verplaatsen vertaald in regels : ‘je moet rechts rijden’, ‘je moet voorrang geven waar dat wordt aangegeven’ en ‘ je mag niet passeren bij een inhaalverbod’.

Joods christelijke waarden ?
In de politiek wordt ook vaak gesproken over de vraag wat onze waarden zijn. Onze samenleving is best ingewikkeld en het wordt er niet eenvoudiger door als we allerlei mensen binnenhalen met heel andere religies, waarden en regels dan die waaraan wij gewend zijn. We organiseren inburgeringscursussen om duidelijk te maken wat onze gewoonten en manieren zijn die uit onze waarden voortkomen. Maar het valt niet altijd mee om te vertellen wat voor waarden daar allemaal achter zitten . Nogal eens wordt gezegd dat de ‘joods christelijke traditie’ ten grondslag ligt aan onze waarden en regels. Het is evident dat veel elementen in onze samenleving daaruit voortkomen: onze kerktorens die naar boven wijzen, het klokgelui bij aanvang van een kerkdienst, onze feestdagen (Kerst, Pasen Pinksteren, Hemelvaart) en nog heel veel meer.
.
Maar zo eenduidig is het niet
Als we naar de geschiedenis van die joods christelijke traditie kijken dan vinden we lang niet altijd een overtuigend fundament voor onze huidige waarden. Discriminatie, vrouwonvriendelijkheid, verdrukken van minderheden, het is allemaal in die traditie terug te vinden, terwijl wij in onze tijd van die ‘waarden’ duidelijk afstand hebben genomen. Aan de andere kant zijn er ook mensen die vinden dat onze waarden lang niet kunnen tippen aan de echte kenmerken van het christendom. In dit nummer wordt een pamflet gepubliceerd opgesteld door een groot aantal vooraanstaande mensen uit het veld van kerk en theologie, waarin tegen het lichtvaardig gebruik van dat begrip ‘joods christelijke traditie’ wordt geprotesteerd.

Een samenstel van waarden noemen we ook wel ‘cultuur’. Om de cultuur in een samenleving te typeren is het wellicht beter te rade te gaan bij sociologen en aanverwante wetenschappers die onderzoek hebben gedaan naar de cultuur van een samenleving. Heel bekend is wel de beroemde klassieke studie van Geert Hofstede die is samengevat in het boek ‘Allemaal andersdenkenden, omgaan met cultuurverschillen’. Lang geleden, maar nog steeds actueel. Hij onderzocht waardesystemen en cultuurkenmerken in een groot aantal landen en kwam zo tot een vergelijking die hij ook nog eens in getallen uitdrukte. We geven enkele voorbeelden van kenmerken van de Nederlandse cultuur versus de Arabische, omdat dit verschil in onze samenleving het meest ter discussie staat. Een van die kenmerken is de ‘machtsafstand’ . Dat is de afstand die burgers beleven tussen zichzelf en de macht, de leider, de autoriteit. Wij kijken niet zo erg op tegen autoriteiten. In Nederland is dat een stuk lager dan in de Arabische landen volgens Hofstede. Een ander cultuurkenmerk is ‘het individualisme’ . Dat gaat om de vraag of de groep waartoe je behoort (een partij, een geloof, een familie) van grotere invloed is op wat je doet en vindt dan jijzelf. In Nederland is die invloed een stuk minder dan in de Arabische landen. Op weer een ander kenmerk blijken de Arabieren meer waarde te hechten aan succes, aan kracht en resultaat (meer ‘macho’ zouden we tegenwoordig zeggen) dan de Nederlander die meer waarde hecht aan de kwaliteit van het bestaan. Andere bekende schrijvers op dit terrein bieden eveneens vergelijkingen op basis van geobserveerde gedragskenmerken van volken. Als we dat soort analyses op ons in laten werken wordt duidelijk dat je een multiculturele samenleving niet zo gemakkelijk met een overkoepelende term kunt typeren. Ook wordt duidelijk dat je zo’n samenleving niet even met een paar vriendelijke gesprekjes tot een eenheid kunt maken. De verschillen zijn daarvoor te diep geworteld.

Waar gaan we naar toe?
Het sociaal cultureel planbureau laat in jaarlijkse publicaties cultuurkenmerken oplichten , waarbij de ontwikkeling die deze kenmerken in de loop der jaren hebben doorgemaakt wordt getoond. In het laatst gepubliceerde ‘sociaal/cultureel rapport’ (december 2016) wordt geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk is dat cultuurverschillen in Nederland zich ingrijpend laten integreren. In het slothoofdstuk van deze publicatie staat : ‘ als we denken over Nederlandse waarden, is men het roerend eens over het belang van algemene begrippen als democratie en vrijheid. Al snel raken mensen echter verdeeld over de vraag wat democratie en vrijheid precies inhouden en waar de grenzen liggen (Dekker en Den Ridder 2016). We wezen op een toenemende segmentering, een afnemende overbrugging tussen groepen en een groeiend onvermogen om andersdenkenden te begrijpen. Het zal in de toekomst een enorme uitdaging blijven om een zekere mate van gemeenschappelijkheid tussen Nederlanders te vinden. In dit proces kunnen onvoorziene omstandigheden druk op de ketel zetten’.

De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek (NWO) gaf een aantal jaren geleden een samenvattend studierapport uit over cultuuraspecten en – verschillen in opvattingen over vele leef- en werkgebieden in de samenleving. Die samenvatting is gepubliceerd in een boekje onder de titel “Respect”. Daarmee wil men zeggen dat het onvermijdelijk en zelfs wenselijk is dat in een samenleving verschillende culturen bestaan, en dat het beleid zich niet moet richten op het vermengen van alles in een smeltkroes, maar op het bevorderen van onderling respect voor verschillen in cultuur en leefwijze : mooi gezegd, maar niet zo eenvoudig te realiseren.

De rol van de kerken
Toch blijft dan de vraag welke cultuuraspecten bij voorkeur nagestreefd moeten worden. Veel daarvan ligt in de grondwet vast. Maar ‘waardedragers’ zoals kerken kunnen in de samenleving een belangrijke rol spelen in het levendig houden van de discussie over de vraag hoe mensen kunnen samen leven en wat er in het leven echt toe doet. Niet op basis van hun soms dubieuze traditie, maar vanuit een eigentijds doordenken van de betekenis van hun geloof voor de samenleving. Nederland is een van de meest seculiere landen in Europa geworden. Belangrijke kerken worstelen met hun eigen identiteit en verdwalen in een tuin van pluraliteit en vrijblijvendheid: ‘iedereen op zijn of hare wijs’. Dat is niet altijd bevorderlijk voor hun zeggingskracht en invloed op de samenleving. Maar het kan wel, dat zien we onder anderen aan de enthousiaste toeloop van veel kerkleden naar vluchtelingenhulp. Het is te hopen dat christenen in staat blijven om in dialoog met godsdiensten van nieuwkomers de boodschap van God in eigentijdse woorden, begrippen en daden geïnspireerd uit de dragen:

‘Gij hebt ons aan het woord doen komen
om tussen werk’lijkheid en dromen
getuigen van Uw Geest te zijn’.

Jan Scheurer

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Waarden" op pagina 3 van Samen jaargang 46 no. 6

Pamflet van een groot aantal spraakmakende christenen gericht aan onze politici
over christelijke cultuur

Hier een bericht terug vanuit de christelijke cultuur.

Wij hebben uw flirts gezien, en zijn blij met de hernieuwde waardering voor onze mooie traditie. Om de renaissance van onze relatie in goede banen te leiden, laten we graag eerst even onze kant van het verhaal horen. Het is beter om naar elkaar te luisteren, dan over elkaar te praten. Als u na het lezen van deze vijf stellingen nog steeds met ons verder wilt,
zien wij uit naar vier mooie politieke jaren na 15 maart.

Boezemvrienden worden we (gelukkig!) nooit.
Een kerk is geen politieke partij, en een politieke partij is geen kerk. Dat moet je ook niet willen, daarvoor hebben we de scheiding van kerk en staat. Als die twee te veel bij elkaar op schoot gaan zitten, krijg je een politieke of religieuze dictatuur waar niet God of het volk, maar alleen de machthebbers mee gediend zijn. Of de zetels nou naar links of naar rechts gaan, de kerk zal altijd haar eigen koers varen. En daarin niet bang zijn om kritisch tegenover de regering te staan waar het evangelie daarom lijkt te vragen. In de bijbel woonden de beste profeten ver weg van het paleis, voor ieders bestwil.

Ons koninkrijk is niet van hier.
Christenen zijn geen stemvee. Hun koninkrijk is niet van hier, hun koning is niet van deze aarde. Dat kun je dromerig noemen (letterlijk: het hoofd in de wolken) of staatsgevaarlijk (want Jezus had geen boodschap aan Caesar). Altijd zullen we onze handen en woorden inzetten voor een betere versie van de grond waarop onze voeten staan. Altijd zullen we ons inzetten om het beloofde koninkrijk in godsnaam alvast wat gestalte te geven in het land waar wij leven. Altijd zullen we verbinding zoeken met de naasten. En toch blijft het zo dat je de christelijke cultuur onmogelijk kunt mobiliseren als politieke kracht. Ons koninkrijk is een groteske utopie - te radicaal voor de compromissen van uw coalities, te allesomvattend voor uw landsgrenzen, te veeleisend voor uw verantwoordelijke beleidsmakers.

‘Christelijk’ is een uitnodiging, geen afgrenzing.
Iedereen mag bij de christelijke cultuur horen. Jood, Griek, man, vrouw, koning, slaaf. Zo zei een van onze oprichters het ongeveer, de apostel Paulus. Deze christelijke jood met een Romeins paspoort schreef dat in het Grieks. Christen word je niet door ras of uit geboorte of vanwege je historie. Christen mag je zijn door de genadige adoptie van een liefdevolle hemelse vader. Dat uitnodigende karakter zit diep verankerd in de christelijke cultuur.
Overal waar die term gebruikt wordt, moet er een welkom klinken. Jezelf ‘christelijk’ noemen om daarmee hele groepen anderen buiten te sluiten is geen optie binnen onze traditie. Zelfs niet als die ander geldt als concurrent of zelfs bedreiging: ‘Heb uw vijand lief’ is een vuistregel die wij wonderlijk (soms pijnlijk) genoeg hebben meegekregen van onze Heer zelf.

De christelijke cultuur is barmhartigheid.
Wie ‘christelijk’ mag heten en wie niet, vertelt Jezus aan de hand van een verhaal over schapen en bokken. De schapen (de christenen) staan aan Jezus’ rechterhand en mogen daar staan omdat ze hongerigen voedden, dorstigen te drinken gaven, vreemdelingen opnamen, naakten kleedden en zieken en gevangenen bezochten. Meer dan alle geloofsstellingen, meer dan alle kerkgang of kerkgeschiedenis is dit het fundament van alle christelijke cultuur: de barmhartigheid. Heb God lief boven alles en behandel een ander zoals je zelf behandeld wilt worden - dat is het hart van de Wet en de profeten, en dus het hart van de christelijke traditie.

De christelijke moraal maakt het politici onmogelijk.
Wie de Bergrede of andere woorden van Jezus wil doorvoeren als politiek program, loopt al snel gillend weg. Wraak wordt ondergeschikt aan het toekeren van de andere wang. Vergeving moet tot in het oneindige worden herhaald. Als een ander iets van je eist, moet je niet weigeren maar juist het dubbele geven. Daar valt geen politiek op te bedrijven.
Het is een open uitnodiging naar gewelddadige profiteurs om een weerloze cultuur omver te lopen. Eeuw in, eeuw uit hebben fans van Jezus het gezegd: ‘Dit kunt u toch niet menen!’ Maar hij meende het serieus genoeg om het in praktijk te brengen en zich te laten verraden,
bespotten, bespugen, mishandelen en kruisigen. Politici die met de christelijke cultuur flirten hebben de plicht om zich tegelijkertijd rekenschap te geven van dat eerste voorbeeld van de ‘eerste christen’.

Tot slot
Wij passen ervoor om ingezet te worden voor holle campagne-retoriek, om als stemvee te worden opgetrommeld, om de symbolische stok te zijn waarmee anderen worden weggeslagen. Dat druist recht tegen het hart van het christendom in, dat wereldwijd open is, grenzeloos barmhartig en lokale politieke beslommeringen ver overstijgt.

Aan de andere kant juichen we het toe - dat de christelijke traditie zoals christenen die zelf verwoorden, meer ruimte krijgt in het politieke spel en in het maatschappelijk gesprek. Laat kinderen weer iets leren over die dwarse idealist die Jezus Christus was. Laat hen leren wat geloven betekent, zodat zij met begrip kunnen opgroeien in een multireligieuze samenleving. Laat hen leren waar de alomtegenwoordige christelijke symboliek in onze geschiedenis echt naar verwijst, zodat ze beschermd worden tegen opportunistisch misbruik ervan. Leef het hen politiek voor, zodat al het mooie dat de christelijke cultuur voorstaat, meer gerealiseerd zal worden.
Tot zegen voor alle volken, zoals de oude woorden dat zo mooi zeggen.

ontleend aan : https://www.petities24.com/christelijke-cultuur
was ondertekend door een lange lijst van spraakmakende christenen

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Bezieling en relaties" op pagina 4 van Samen jaargang 46 no. 6

Bezieling en relaties

Wat de ziel is? Dat vind ik altijd een ingewikkelde vraag. Misschien meer iets voor psychologen, filosofen en theologen. Bezieling – daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Niet in woorden uitdrukken, maar zien. Bezieling is zichtbaar. In de AK van april kwam dit woord ook ter sprake. Wat voor bezieling is zichtbaar in de PGE, hoe krijgen we (meer) bezieling in de PGE. Christof opende de vergadering van mei met een aantal teksten van Bonhoeffer die daarbij aansluiten. Gemeenschapsvorming in Christus, dat is de kerk. Als AK hebben we de missie om die gemeenschapszin binnen de PGE te bevorderen en te ondersteunen. Waar mogelijk en waar nodig. Het echte werk gebeurt in de wijken, in de diensten, in de activiteiten, in de gespreksgroepen, in de onderlinge contacten.

In de AK van mei spraken we met Christiaan, jeugdouderling in de Kruispuntgemeente. Hij lichtte de evaluatie toe van het werk dat gedurende anderhalf jaar door jongerenwerker Erin is uitgevoerd. Zij werkte op één dag in de week met en voor jongeren van de gemeente. Daaruit kunnen we enkele lessen trekken. Het is het organiseren van activiteiten wat heel veel tijd kost, en waarvan het rendement niet zo helder is. Het aangaan van relaties, iets doen met jongeren, in gesprek zijn..: dat kost minder energie en levert meer op. Willem Mak, vertegenwoordiger van de ESK/Tint herkent dat ook in het studentenwerk. Hou het klein, ga samen eten, leer elkaar kennen. En daar kun je als oud(er) gemeentelid heel goed aan bijdragen! Je hoeft als oudere je niet aan te passen en ‘mee te doen’ met de leefwereld van de jongere. Integendeel, blijf vooral jezelf, heb belangstelling, stel vragen, wees oprecht en authentiek, bedenk hoe je jongeren kunt betrekken bij dingen die je zelf al doet. Daarmee geef je als kerk invulling aan de uitdaging om relevant te blijven voor de jongeren vandaag.

In de CvK ontstaan later dit jaar meerdere vacatures. We hopen dat mensen zich beschikbaar willen stellen. Tegelijkertijd denkt de AK na over een plan B, bijvoorbeeld door werkzaamheden anders te organiseren of door het halen van kennis of bestuurlijke ervaring van buiten de PGE. Laten we zorgen dat dat niet nodig is. Tot slot een citaat...: Als het denken stopt, komen de antwoorden.

Hartelijke groet,
Benjamin Jansen

Onderstaande artikel staat in de rubriek "In de Cathrien" op pagina 4 van Samen jaargang 46 no. 6

Evensong in de Cathrien!

Zondag 18 juni valt de maandelijkse Evensong samen met Vaderdag. Misschien dat het tijdstip van 17.00 uur in ons voordeel werkt: vader kan immers dan wat langer van een ontbijt op bed genieten.

De lezingen zijn uit Deuteronomium 10:12 - 11:1 en Handelingen 23: 12 – 35. De oudtestamentische oproep heeft aan actualiteit niets ingeboet: handel zonder aanzien des persoons, wees integer en onomkoopbaar, doe recht aan weduwen, wezen en vreemdelingen en behandel hen met liefde. Zo behandelt de Eeuwige (of dat nu een Vader of Moeder is, laat ik graag in het midden) ons mensen immers ook?
Wat een prachtig thema voor Vaderdag!

Het anthem “Praise the Lord” van John Blow.
Behalve dit anthem zingt de Capella Vesperale de vaste gebeden voor de Evensong op een zetting van Avleward, Psalm 42 en 115 en het Magnificat en Nunc Dimittis uit “The third service” van Philip Moore. De samenzangliederen zijn het processielied, “To Thee, o Lord”, het zondagslied “Dankt, dankt nu allen God” en het slotlied “King of Glory”.

De Evensong wordt geopend en afgesloten met toepasselijk orgelspel.

De Capella Vesperale verzorgt de gezongen onderdelen van de Evensong, onder leiding van Esther Sijp. Het orgel wordt bespeeld door Jan van de Laar en de voorganger van de viering is René Wilmink.

Informatie over de orde van dienst kunt u een week voorafgaand aan de dienst vinden op www.koorvespers.dse.nl

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Dienen" op pagina 5 van Samen jaargang 46 no. 6

Kerk in Actie: Geloven in delen

De kerk is wereldwijd voortdurend in actie. Als vrijwilliger of diaken weet u daar alles van. Maar lang niet iedereen, ook niet in de kerk, is zich ervan bewust wat de kerk wereldwijd betekent voor mensen in nood. Kerk in Actie start daarom een campagne.
De slogan van Kerk in Actie is “Geloven in delen”. Geïnspireerd door Jezus Christus willen wij wereldwijd delen wat ons gegeven is. En dat is precies de boodschap van de campagne welke rond Pasen 2017 van start gegaan is.
In Nederland is de kerk een belangrijke helper voor mensen in nood. Onderzoek na onderzoek laat zien dat kerken op het gebied van armoede, vluchtelingen en zorg een grote rol spelen in de levens van kwetsbare mensen. Diakenen staan klaar voor deze mensen. En dit gebeurt niet alleen in Nederland, wereldwijd zijn diakenen actief.
Overal helpt de kerk mensen die steun kunnen gebruiken. Door geld in te zamelen, te bidden, te delen. De kerk staat klaar voor iedereen. Om recht te doen aan verdrukten, zoals kastelozen in India. Of hoop te bieden aan vrouwen in Kameroen, door ze een lapje grond te geven zodat ze zelf gewassen kunnen verbouwen. Maar ook tijdens rampen of oorlog helpt de kerk, zoals na de aardbeving in Nepal of tijdens de oorlog in Syrië. En na ontwrichtende conflicten werkt de kerk aan vrede en verzoening, zoals in Colombia.
We zijn als kerken met elkaar verbonden. Kerken en kerkelijke organisaties over de hele wereld hebben samen één wereldwijd kerkelijk netwerk voor noodhulp. Dat is de Action by Churches Together (ACT) Alliance. Kerk in Actie en ICCO zijn samen met zo’n 150 leden uit alle delen van de wereld lid van de ACT Alliance. Bij een ramp maakt het hoofdkantoor (in Geneve) de stand van zaken op: waar is hulp nodig, voor wie, wat voor hulp? Welke kerkelijke organisaties kunnen hulp bieden? Wat kunnen we als kerken daarin betekenen? Hoeveel geld is er nodig?
Kerken zijn geen onbeduidende speler. In Syrië bijvoorbeeld, is de hulpverlening van de Grieks-
Orthodoxe Kerk van Antiochië met 500 werkers en duizenden diaconale vrijwilligers de grootste
hulpverlener. Groter zelfs dan het Rode Kruis. Want kerken heb je overal; tot in de kleinste dorpen.
We werken samen met iedereen. De hulp is bedoeld voor iedereen, ongeacht geloof, ras of politieke kleur. Christenen en moslims. Natuurlijk hebben we als kerken oog voor de christenen onder de slachtoffers. Maar we helpen slachtoffers niet omdat zij christenen zijn; we helpen slachtoffers omdat wij christenen zijn.

Meer informatie is te vinden op www.kerkinactie.nl/gelovenindelen.

Onderstaande artikel staat in de rubriek "TINT" op pagina 6 van Samen jaargang 46 no. 6

Get together: muslims and christians

Onlangs hebben we vanuit TINT met een aantal studenten van de christelijke studentenvereniging Ichthus en een aantal studenten met islamitische achtergrond een avond georganiseerd met als titel ‘Get together: muslims and christians’. Al in de voorbereiding ontstond er een interessante uitwisseling, waarbij over en weer vragen werden gesteld en opheldering werd gegeven. Zo vroeg één van de moslimstudenten: ‘klopt het dat alle christenen goed kunnen zingen? Want jullie zingen zoveel in de kerk!’. Dit misverstand was gemakkelijk uit de wereld te helpen... Omgekeerd hebben de moslimstudenten toegelicht hoe belangrijk het voor hen is om vijf keer per dag te bidden. Het avondprogramma dat we organiseerden moest dus op tijd afgelopen zijn, zodat studenten op tijd zouden zijn voor het avondgebed. Nuttige informatie, waar we bij TINT in de toekomst rekening mee kunnen houden.

Eenzelfde persoonlijke uitwisseling wilden we centraal te laten staan op de avond die we organiseerden. Eerst zouden enkele studenten plenair iets vertellen over hoe hun religie hun dagelijks leven beïnvloedt. Vervolgens zouden studenten in kleine groepen hun ervaringen uitwisselen. Dit leek een mooi plan, maar enkele weken voor het event gaven deze moslimstudenten aan, dit toch geen goed idee meer te vinden. Volgens de Koran gaat namelijk kennis vooraf aan spreken en wanneer je onjuiste informatie geeft aan anderen over de Islam of over de Koran, dan kan je dit als zonde worden aangerekend. Zij waren bang om bij een openbare gelegenheid zoals deze avond op dit gebied fouten te maken. Het leek hen daarom beter een moslimgeleerde uit te nodigen en hem het woord te laten doen.

Voor de andere leden van de organisatie kwam dit onverwacht. We kenden deze gedachte uit de Islam niet en waren verbaasd dat dit zo zwaar woog voor hen. Tegelijkertijd was het interessant dat dit aan het licht kwam en we zo een nieuw aspect van deze stroming in de Islam leerden kennen. Het regelen van een moslimgeleerde was echter op deze korte termijn niet mogelijk. Om de studenten die zich al hadden ingeschreven niet teleur te stellen, hebben we besloten de avond volgens het eerdere plan toch door te laten gaan en na het event opnieuw met deze studenten in gesprek te gaan.

Het is uiteindelijk toch een mooie avond geworden met christelijke studenten, moslimstudenten voor wie deze avond niet problematisch was en andere studenten, die uit interesse gekomen waren. De persoonlijke uitwisseling kreeg de ruimte en overeenkomsten en verschillen (ook binnen de religies!) kwamen aan het licht. Al met al was het een leerzame avond. Tegelijkertijd was het proces van de voorbereiding zeker zo leerzaam, al liep het niet zoals verwacht. Het is de uitdaging elkaar te respecteren, hoe verschillend je geloofsbeleving ook kan zijn, en in contact te blijven. Dit event bleek voor bepaalde moslimstudenten niet haalbaar, maar we blijven met hen in gesprek om te zien wat er in de toekomst mogelijk is. De interreligieuze ontmoeting: niet altijd makkelijk, wel horizon verbredend!

Margit van Tuijl
Studentenpastor/personal life coach @ TINT

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Varia" op pagina 6 van Samen jaargang 46 no. 6

Spotters

Bij elke luchthaven zijn spotters te vinden. Mannen (nooit vrouwen), met camera’s met hele grote telelenzen. Ze maken foto’s van vliegtuigen. Het gaat erom zoveel mogelijk verschillende vliegtuigen te spotten. Bij Eindhoven Airport is het “spotterslaantje”. Een weg met een grote parkeerplaats. Vanaf die parkeerplaats heb je een prachtig uitzicht op de start- en landingsbaan. Daar zijn vaak spotters te vinden. Ik maak een praatje met ze. Ze hebben een boekje bij zich. Daar staan allemaal tabellen met nummers in. Als ze dan een bepaald vliegtuig hebben gehad, strepen ze het nummer af. Iemand vertelde eens dat hij was weggestuurd bij de militaire afdeling van het vliegveld. Hij wilde daar foto’s maken en dat mocht niet. “Flauw hoor, ik doe toch niks”, zei hij. Ook heb ik wel gezien dat iemand een apparaatje bij zich had om de luchtverkeersleiding af te luisteren. Dan kun je horen hoe de piloten toestemming vragen om te mogen landen en hoe die toestemming dan verleend wordt. Dat is niet verboden. Er was eens een hele drukte bij het spotterlaantje. Toen kwam er een Antonov aan. Een Antonov is het grootste vrachtvliegtuig dat bestaat. Een Antonov is makkelijk te herkennen, omdat er met koeien van letters Antonov op staat. Zelf denk ik dat ik ook een spotter ben. Ik spot geen vliegtuigen, maar mensen. In de aankomsthal, is er altijd wat te zien, daar gebeurt zóveel tussen mensen. Meestal mensen die blij zijn elkaar te zien, maar soms is er ook verdriet. Ik luister ook, naar de dingen die ze tegen elkaar zeggen. Het komt voor dat ik ze aanspreek. Er komen soms hele verhalen los. Ik ben verbaasd over de openhartigheid. Het is mooi als mijn luisterend oor gewaardeerd wordt. Het gaat niet om het afstrepen van nummers, maar het gaat om de ontmoeting met mensen. Op een vliegveld hebben mensen bagage bij zich. Koffers en tassen, maar ook bagage waar hun levensverhaal inzit. Die bagage een eindje meedragen, het verhaal aanhoren. Dat is heel mooi om te doen.

Mirjam van Nie

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Gedicht" op pagina 8 van Samen jaargang 46 no. 6

VUUR EN WIND

Luister of het begint
ergens zal het gaan zingen
tegen het klagen in
helder en vol geheim

sterker dan harde woorden
warmer dan heet getwist
vuur van andere oorsprong

storm van een nieuw bewegen
dwars op de geest van de tijd
onrust en nochtans vrede

wacht maar en wees bereid

Inge Lievaert

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Dienen" op pagina 9 van Samen jaargang 46 no. 6

Meer dan alleen ongedocumenteerd!
Wanneer een vluchteling wordt afgewezen en ‘ongedocumenteerd’ in Nederland verblijft, leeft hij of zij in een onzekere situatie. Het ‘ongedocumenteerd zijn’ bepaalt veelal het leven en de keuzes die worden gemaakt. Alle afgewezen vluchtelingen in Eindhoven volgen bij Vluchtelingen in de Knel de training Toekomstoriëntatie, waar ze worden geconfronteerd met de verschillende verblijfsopties die er zijn: legaliseren van verblijf in Nederland, terugkeren, doormigreren of ongedocumenteerd in Nederland leven. Ook leren de afgewezen vluchtelingen tijdens deze training dat ze meer zijn dan alleen ‘ongedocumenteerd’. Ze leren (weer) hun eigen krachten en kwaliteiten ontdekken. In de training worden ze erop gewezen dat ze naast ongedocumenteerd ook een goede ouder, kok, vriend, klusjesman of sporter kunnen zijn. Wij vinden dat iedereen, ook afgewezen vluchtelingen, het verdient zijn of haar krachten te leren kennen om daardoor een meer betekenisvol leven te kunnen leiden. Het blijft voor afgewezen vluchtelingen echter moeilijk om de persoon te zijn die ze graag willen zijn. Allerlei juridische belemmeringen verhinderen dat ze een liefhebbende ouder, een hardwerkende lasser of een talentvolle student journalistiek mogen zijn en dat tast hun eigenwaarde en sociale identiteit aan. Toch lukt het veelal om binnen de marges een betekenisvol leven te leiden. Een van onze cliënten, David, is bijvoorbeeld vader, maar zijn ex-vriendin weerhoudt hem contact te onderhouden met hun kind. David wilde graag weer contact met zijn kind en ook zijn rol als vader kunnen uitoefenen. Dit zou hem betekenis geven in zijn leven. Wij ondersteunden hem daarom bij het verkrijgen van een omgangsregeling met zijn kind. Als ongedocumenteerde is het voor David lastig om toegang te krijgen tot het rechtssysteem, maar door onze steun mag David zijn kind weer zien.

Om inzicht te geven wie de afgewezen vluchtelingen zijn, waar hun talenten liggen en om te laten zien dat ze meer zijn dan ongedocumenteerd, organiseert Vluchtelingen in de Knel een fototentoonstelling ter gelegenheid van de Dag van de Vluchteling. Tijdens deze tentoonstelling laten enkele cliënten u zien wie zij daadwerkelijk zijn. Vanaf 14 juni zijn de foto’s te zien in NATLAB (Kastanjelaan 500 Eindhoven).

Anoeshka Gehring

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Samen naar buiten" op pagina 9 van Samen jaargang 46 no. 6

Een nieuwe impuls en handreiking?!

Twee maanden geleden vierden we het paasfeest, feest van opstanding en nieuw begin. In ’t Hemeltje nam Leen deel aan het paasontbijt, een goede ervaring met delen en weer verder kunnen gaan.

Voor het eerst maakte ik het Paasontbijt mee in ’t Hemeltje. Dat wordt nu al vier jaar georganiseerd. Velen waren om halfnegen gekomen, terwijl het ontbijt pas om tien uur zou beginnen. Margareth – een van de werkers, zoals ze zichzelf betitelt – heette iedereen welkom, liet zien hoe je brood(jes) kunt delen en vroeg de gasten of ze een kaarsje wilden aansteken, mede omdat Pasen een Lichtdag is.

Bij het aansteken van de kaarsjes vertelde ze dat ze ook stil wilde staan bij een groot verdriet in haar familie, dat ze ook benoemde. Later vroeg ik aan de gasten of ze ook met mij dit licht wilden delen en vertelde over mijn ernstig zieke dochter, met wie ik de avond daarvoor in Brussel naar de bruiloft van een van haar beste vriendinnen was geweest. Meestal kan zij zoiets slechts één of twee uur volhouden, maar wij waren daar vijf uur aanwezig !

Ik ervoer die morgen opnieuw geluk. Omdat het behoorlijk druk was kon ik alleen nog op een hoekpunt zitten, maar zat daarmee wel tussen Harrie, Bernadette, Joke en de Grote Hoffelijke Man. Met hen voel ik mij al jaren verbonden in ons huis, terwijl er ook veel gasten aanwezig waren die ik nog nooit had gezien.

Nadat de eerste honger was gestild las onze gastvrouw een verhaaltje van Toon Tellegen voor, bedoeld als introductie van het aangekondigde gesprek over “Waar haal jij je kracht vandaan”. Dat leidde tot een indringend gesprek. De reiger uit het voorgelezen verhaal stilt zijn honger met goudvissen en wil daar wel mee stoppen, maar dat lukt maar niet. Een van de gasten vertelde dat ze nog droomde van een beter leven en haar vriend voegde daar aan toe dat hij vooral wenste dat hij erkenning zou vinden!

Veel muziek, lekker ontbijt en een goede sfeer; voor velen een nieuwe impuls om verder te gaan. Joke, die naast mij zat, toonde mij een foldertje over een cursus zingeving. Naast de tekst werd een pad getoond dat naar de horizon liep. Bij dat pad een bordje ‘doodlopende weg’. Kortom een weg met veel vraagtekens. Boven de horizon hing een soort waas. Ik zag daarin iets doorschemeren van een Hand die je vastpakt. Ik hoop dat ik niet de enige ben!

Leen Sluis,
vrijwilliger in ‘t Hemeltje

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Varia" op pagina 12 van Samen jaargang 46 no. 6

De redactie publiceert -als er ruimte is- in SAMEN ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over godsdienst(on)vrijheid in een aantal landen

Somalië

Vrijheid van godsdienst
De islam is de officiële godsdienst in heel Somalië. Bekering tot een ander geloof is wettelijk niet toegestaan. In de Somalische maatschappij worden bekeerde christenen en andere niet-moslims niet getolereerd. Er is echter weinig informatie verkrijgbaar over de situatie van Somalische christenen en andere niet-moslims, waarschijnlijk ook als gevolg van het kleine aantal dat zich in Somalië bevindt. Op basis van de beperkte informatie die er is, wordt hieronder de situatie in Zuid- en Centraal-Somalië en Noord-Somalië geschetst.

Zuid- en Centraal-Somalië
Artikel 8 van de TFC bepaalt dat de islam de nationale godsdienst is en dat wetgeving gebaseerd dient te zijn op de sharia. Daarnaast is bekeren naar een religie anders dan de islam verboden. Bekering van de islam naar een ander geloof is bovendien maatschappelijk niet geaccepteerd. Bekeerde Somaliërs zullen lastig gevallen worden door medeburgers en het valt niet uit te sluiten dat zij door medeburgers met de dood zullen worden bedreigd. Er wordt niet toegezien op de naleving van wetten en regels die de vrijheid van godsdienst garanderen.
Er is een sterke sociale druk om de islamitische regels na te leven, met name
vanuit Al-Shabaab, die een salafistische vorm van de islam aanhangt en niet de meer gematigde suffistische vorm die in Somalië traditioneel wordt gepraktiseerd In de gebieden onder controle van Al-Shabaab kan worden aangenomen dat christenen grote veiligheidsrisico’s lopen vanwege hun geloof. In de verslagperiode zijn enkele onbevestigde berichten verschenen, met name op
christelijke websites, over incidenten in Zuid- en Centraal-Somalië waarbij christenen werden gedood of anderszins slachtoffer werden. Al-Shabaab beschuldigde ook christelijke hulporganisaties van bekeringsactiviteiten en beweerde onder andere om deze reden humanitaire hulp te weigeren. In de delen van Zuid- en Centraal-Somalië die niet onder de controle van Al-
Shabaab staan, lopen christenen ook gevaar. Hun status kan vergeleken worden met die van de andere gediscrimineerde minderheidsgroepen.

Noord-Somalië
De autoriteiten van Puntland, Somaliland en een aantal lokale autoriteiten hebben bepaald dat de islam de officiële religie is. Voor Puntland en Somaliland is dit ook opgenomen in de grondwet. Beide grondwetten geven aan dat een moslim geen afstand kan doen van zijn of haar geloof en dat niet-moslims in vrijheid hun geloof mogen belijden. Zowel wetgeving in Somaliland en Puntland als de lokale tradities verbieden zending voor alle geloven, behalve voor de islam. De veiligheidsdiensten van Puntland houden religieuze activiteiten nauwlettend in de gaten. In Somaliland is wetgeving gebaseerd op en niet tegenstrijdig aan de islam. Ook in Puntland en Somaliland worden christenen niet getolereerd. Zelfs christenen die al vanaf hun geboorte hun geloof belijden, bijvoorbeeld Ethiopiërs die in Noord-Somalië verblijven, worden ernstig gediscrimineerd. Vanwege het feit dat christenen binnen de Noord-Somalische gemeenschap niet getolereerd worden, lopen zij – voor zover zij nog aanwezig zijn in Noord-Somalië – het gevaar slachtoffer te worden van geweldsincidenten gepleegd door medeburgers.

2017 SAMEN  mei - met thema De Vreemdeling. Lees meer...

Onderstaande artikel staat in de rubriek "de vreemdeling" op pagina 2 van Samen jaargang 46 no. 5

Ik ben een vreemdeling op aarde.
(Psalm 119: 19)

‘de vreemdeling’ bestaat niet
Wat je in de bijbel leest over ‘de vreemdeling’ laat zich niet op één noemer brengen. Het hebreeuws, de taal waarin het grootste deel van het oude testament is geschreven, kent verschillende woorden voor dat ene nederlandse woord ‘vreemdeling’. Daarmee komt tot uitdrukking wat we ook wel weten, maar vaak veel moeilijker onder woorden kunnen brengen: de ene vreemdeling is de andere niet. De vreemdeling kan een gast of een vriend zijn, die op onderdak kan rekenen. De vreemdeling kan een vluchteling zijn die bescherming nodig heeft. Het kan ook iemand zijn die uit is op een beter, een letterlijk rijker leven, een koopman, iemand die werk zoekt. Ook kan het iemand zijn die komt met kwade of zelfs vijandige bedoelingen, een spion, een soldaat of erger. Sommige vreemdelingen kunnen een gevaar vormen, anderen worden bedreigd. Eén ding is duidelijk: ‘de vreemdeling’ bestaat niet.

Vreemdeling in Egypte
De bijbelse verhalen laten zien dat Israël vreemdelingen kende. Er wordt verteld hoe mensen op de vlucht gaan om aan honger of gevaar te ontkomen. Ze vrezen voor hun leven en verdienen daarom onderdak en bescherming. Wie zwak en weerloos zijn moeten gastvrij ontvangen en opgenomen worden: de weduwe, de wees én de vreemdeling. Dat vreemdelingen bijna dezelfde rechten hebben als de inwoners van het land, lezen we uit de tijd van het oude Nabije Oosten alleen in de boeken van de bijbel! Deze gelijkheid is een groot goed. Als het om de vreemdeling gaat die hulp en recht nodig heeft, wordt er niet met twee maten gemeten. De vreemdeling heeft niet minder rechten en ook niet meer plichten dan wie opvang, onderdak en bescherming bieden. Het omgekeerde is ook waar: de vreemdeling heeft in het land waar toevlucht gezocht en gevonden wordt niet meer rechten of minder plichten dan wie asiel verlenen. Wanneer gesproken wordt over de zorg voor vreemdelingen, wordt Israël herinnerd aan de eigen geschiedenis en het eigen lot: jullie zijn zelf vreemdeling geweest in Egypte. De Israëlieten werden gekleineerd en onderdrukt in Egypte. Ze waren slaven. Dat ze dat niet meer zijn, dat ze gered en bevrijd zijn, is het motief om goed te zijn voor wie op de vlucht zijn voor onrecht en geweld. Veel Israëlieten zijn vreemdelingen geworden toen ze als gevangenen en ballingen werden weggevoerd door legers uit Assyrië en Babylonië. Een land, een volk dat weet van bezetting en onderdrukking kan zijn oren en ogen niet sluiten voor wie vluchten voor oorlog en geweld en kan niet anders dan hart en handen openen voor wie veiligheid zoeken. Het klinkt tot op vandaag: jullie zijn zelf vreemdeling geweest...

Gastvrijheid
In de boeken van het nieuwe testament lezen we niet zo heel veel over vreemdelingen en vluchtelingen. We horen meer over de omgang met en de zorg van christenen voor elkaar. Er wordt een beroep gedaan op gastvrijheid. Het zal ongetwijfeld een grote rol hebben gespeeld, dat de christenen zelf het moeilijk hadden. In de grieks-romeinse wereld van die dagen hadden zij niet de vrijheid om hun geloof te belijden. Christenen werden gezien als staatsgevaarlijk en een bedreiging voor de ‘openbare orde’. Dat zij als gelijken met elkaar omgingen werd als vreemd en ongepast beschouwd. De druk waarmee zij geconfronteerd werden en de groeiende vervolging maakten het nodig dat er veel aandacht was voor steun en trouw aan elkaar. De eerste gemeenten hadden het niet makkelijk. De zorg voor de ‘minsten van de mensen’ was nodig om gelovigen bij elkaar te brengen en vast te houden. Het omzien naar elkaar werd ook gezien als een uiting van geloof. De inzet voor elkaar was een teken van dienst aan de Heer. Als opdracht van Jezus aan zijn volgelingen lezen we: ‘alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders (of zusters), dat hebben jullie voor mij gedaan’.

Vreemdeling op aarde
Veel van de eerste protestanten in de Nederlanden waren vreemdelingen: ze waren gevlucht uit andere landen, veelal uit Frankrijk en zochten een toevlucht. Die vonden ze nauwelijks en het was maar voor even. De eerste lutheranen werden gemarteld en terechtgesteld in Brussel. Doopsgezinden en calvinisten in de Nederlanden werden vervolgd en moesten vluchten. Er ontstonden vluchtelingengemeenten in Londen, Emden en Frankenthal bij Heidelberg. Pas laat in de zestiende eeuw, minstens vijftig jaar na het begin van de reformatie, kunnen aanhangers en volgelingen van Luther en Calvijn openlijk hun geloof belijden. Ook van de nederlandse protestanten kun je zeggen: jullie zijn vreemdeling geweest... Toen zij de vrijheid gevonden hadden om hun godsdienst te belijden, bleek het ook voor de calvinisten moeilijk om anderen ruimte te geven. Rooms-katholieken en ook lutheranen moesten hun toevlucht zoeken in schuilkerken. Al aan het begin van de zeventiende eeuw, op de eerste nationale synode van de calvinisten, werden mensen veroordeeld en uit de kerk gezet. De remonstranten weten en voelen dat tot op vandaag. Het lijkt een beetje met (protestants) geloven te zijn gegeven: zonder de ervaring van tegenwind en tegenwerking is het eigenlijk nooit. Een gelovige voelt zich in onze wereld altijd, ook al is het soms maar een klein beetje, vreemdeling:

O God, wij bouwen als ontheemden,
wij wonen en wij blijven vreemden,
bestemd voor hoger burgerrecht.

‘Midden onder u staat Hij die gij niet kent’
Het is niet alleen de gelovige die een vreemdeling kan zijn. Ook over God kan gesproken worden als over een vreemde. Dat is merkwaardig en spannend. Profeten stellen de vraag waar God is. Er is zo veel onrecht en verdriet. Niet alleen de mensen, maar ook God laat het allemaal maar gebeuren. Niemand die iets onderneemt, niemand die er iets tegen doet: ‘waarom bent u als een vreemdeling in dit land’, klinkt het bij de profeet Jeremia. God lijkt afwezig, als een man die op reis is gegaan naar een ver land. De evangelist Johannes laat een heel ander geluid horen. Ook hij worstelt met de vraag wie en waar God is. Maar hij ziet God niet als afwezige, wel als een vreemde: ‘Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen’. Johannes zegt dat mensen vervreemd zijn van God. Daarom kunnen zij hem niet meer zien. Mensen zijn vreemden voor, zelfs vijanden van God geworden. Vreemden zijn ze voor elkaar. God is bij de mensen, maar hij wordt niet herkend en erkend. Dat houdt God niet tegen om de mensen op te zoeken. Hij wil vijanden tot vrienden maken. Ook al wordt hij verzwegen, toch staat hij midden onder ons. Ook al wordt hij niet gekend, de Heer is nabij. Als wij een vreemdeling zien in haar nood, in zijn ontreddering, dan mag het geen vraag zijn naar wie onze ontferming uitgaat. Zelfs wanneer wij een vreemdeling als vijand zien, dan staat ons nog God voor ogen, die in liefde omziet naar mensen die voor hem vreemden zijn geworden. God laat ons allereerst zijn barmhartigheid zien. Hoe zouden wij die dan anderen kunnen onthouden...

Wil daarom elkander doen
alle goeds geduldig.
Wees elkaar om zijnentwil
Niets dan liefde schuldig.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent.

Bert Jan van Haarlem

Onderstaande artikel staat in de rubriek "de vreemdeling" op pagina 3 van Samen jaargang 46 no. 5

Het (vreemdelingen)kind in ons midden!

Kinderen maken veel in ons los. Opa’s en oma’s raken niet uitgepraat over hun kleinkinderen. Jezus stelde kinderen zelfs ten voorbeeld. Ook vluchtelingenkinderen maken de nodige emoties in ons los. Denk maar aan de verdronken Aylan op het stand van Bodrum of aan die vertwijfelde vader, die z’n dode tweeling in de armen droeg. Het breekt je hart dat zoveel kinderen het slachtoffer worden van oorlogsgeweld, hongersnood (ondervoeding) en indoctrinatie (Isis). Toch zijn het ook vaak juist de kinderen, die ons nieuwe hoop geven. Is het niet fantastisch om te zien hoe ze de draad weer oppakken in Mosul (Ninevé); met blijde gezichten en leergierig gaan ze weer naar school. De klassen zijn vol en er zijn nauwelijks leermiddelen.

Kinderen speelden ook een cruciale rol in het inmiddels gesloten AZC in de Achtse Barrier. Dat ondervond ook Lydwien Donkers-Ravensloot toen ze met vluchtelingenkinderen muziek ging maken. Ze had zich, net als vele andere vrijwilligers, aangemeld om mee te helpen vluchtelingen welkom te heten en zich bij ons thuis te voelen. En hoe zou je dat beter kunnen doen, dan door één van je talenten, namelijk zingen en muziek maken, in te zetten voor het goede doel. Lydwien is musicus en dirigent van verschillende koren. Na een wat moeizaam begin ging ze enthousiast aan de slag. Veel medewerking van de COA kreeg ze niet. Ze ging zelf met haar tamboerijn het gebouw rond om de kinderen te verzamelen. Boven in een aparte ruimte zong ze met de kinderen, en leerde ze hun Nederlandse liedjes aan, die ze zelf met tamboerijn en castagnettes begeleidden. Vaak dansten ze samen, waarbij ook de moeders soms enthousiast meededen. Van de vluchtelingen zelf kreeg ze veel hulp. De oudere kinderen hielpen mee om van alles te organiseren en de vaders en moeders tolkten. Via de kinderen ontstonden er zo allerlei contacten. Muziek, zang en dans faciliteerden dus verbinding tussen nationaliteiten (Syriërs, Somaliërs, Eritreeërs, etc) en generaties. Bovendien ondersteunde het de inburgering en het aanleren van de Nederlandse taal. Lydwien heeft zelfs eigenhandig liedjes gemaakt, die aansloten bij actuele thema’s en gebeurtenissen in de wijk.

Door de vele wisselingen in het AZC was het heel moeilijk om structuur te krijgen in het vrijwilligerswerk.. Daarom was Lydwien heel dankbaar dat ze in een later stadium haar bijdrage in schoolverband mocht leveren. (Vluchtelingen)kinderen zijn zeer leergierig en gaan heel graag naar school, zoals ik boven al schreef. Vakantie is echt ‘afzien’ voor ze! In schoolverband kon Lydwien haar muziek en zanglessen ook differentiëren naar leeftijd. (kleuters, midden en bovenbouw)

Het is echter jammer dat er zoveel regels en protocollen zijn. Veel vrijwilligers knappen af op de bureaucratie. Velen hebben zich enthousiast aangemeld, als activiteitenbegeleider, om te rijden naar dokter of ziekenhuis, of om te helpen met Nederlandse les. Door slechte organisatie / coördinatie en de vele regels hebben ze het niet volgehouden. ‘Het lijkt wel of er geen draaiboek is’, concludeert Lydwien. Zo vertelt ze dat de Internationale School geld had ingezameld om muziekinstrumenten aan te schaffen. Er werd royaal gegeven; vele instrumenten konden worden gekocht. Naast de beschikbare tamboerijnen en castagnettes o.a. gitaren en zelfs een drumstel. Er is niets mee gedaan, terwijl Lydwien graag haar vakbroeders en zusters had willen mobiliseren om les te geven.

Op de vraag, waarom ze aan het ‘avontuur’ is begonnen, antwoord Lydwien, dat ze vanuit de christelijke waarden, die ze in haar katholieke opvoeding heeft meegekregen, er voor de ander wil zijn en zich in wil zetten voor een rechtvaardige samenleving, waarin solidariteit en algemeen welzijn (bonum commune) centraal staan. Bovendien was het musiceren met de kinderen geen straf; ze heeft er heel veel voor teruggekregen. De dankbaarheid van de kinderen (blije gezichten, omhelzingen, de tas dragen) was voor haar ‘de kers op de taart’!

Bernard van Weeghel

Onderstaande artikel staat in de rubriek "TINT" op pagina 4 van Samen jaargang 46 no. 5

Community Campus

Het universiteitsterrein waarop de TU/e en Fontys zijn gevestigd, ligt net boven het centrum van Eindhoven op vijf minuten lopen van het station. Overdag is het een drukke mierenhoop vol leergierige studenten, maar na zessen loopt het terrein leeg en verandert het in een donkere spookstad. Met de komst van twee grote studentenflats en een beleidsplan voor een ‘community campus’ hoopt de universiteit hier verandering in te kunnen brengen.

Een ambitieus plan, dat zeker ook de nodige vragen oproept. Want wat is een gemeenschap precies? Wat verbindt de studenten behalve de studie? En laat een gemeenschap zich wel vormen door middel van beleid? TINT heeft binnen het ‘community campus’ plan een adviserende rol, mede dankzij onze oorsprong als religieuze gemeenschap. Dat is tenslotte één van de meest oude vormen van samenleven als gemeenschap.

Zo zijn we onder andere betrokken bij de invulling van een nieuwe stilteruimte op de campus. Samen met de moslimstudenten en een aantal andere partijen ontwikkelen we een ruimte, die voor iedereen op de campus als een fijne en neutrale plek gebruikt kan worden. Daarnaast zijn we samen met de TU/e een ‘levensbeschouwelijke koepel’ aan het vormen. Hierin vallen alle studenten verenigingen en organisaties, die zich bezighouden met levensvragen en zingeving.

Eén van onze belangrijkste speerpunten hierin is om zoveel mogelijk verbinding te brengen op de campus en in de stad. Dit doen we door samen te werken met verwante organisaties en door al bestaande gemeenschappen samen te brengen, zoals bijvoorbeeld in onze ‘Get Together: Students and Refugees’. Tijdens dit event kwamen studenten en vluchtelingstudenten of vluchtelingen met de studentenleeftijd bij elkaar. Eén van de vluchtelingen die een pre-master aan de TU/e volgt, heeft tijdens de avond de maaltijd verzorgd dankzij recepten van zijn oma. Zowel in de keuken als aan tafel zorgden deze kleurrijke en lekkere recepten voor inspirerende verhalen en uitwisselingen. Eén van onze eerste adviezen aan de TU/e voor het community beleidsplan is dan ook om te zorgen voor een gezamenlijke keuken, waar studenten samen kunnen koken en met elkaar aan tafel kunnen gaan. Want niets verbindt mensen meer dan het delen van een warme maaltijd!

Anniek Mol

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Varia" op pagina 5 van Samen jaargang 46 no. 5

De Cathrien en wij

In de Catharinakerk vindt men een kleine expositie van archeologische vondsten uit de kerk. Daarbij staat ook een doopvont uit de vorige Cathrien, die bij de Beeldenstorm (1566) is stukgeslagen. Die gebeurtenis markeert ook de geboorte van de gereformeerde gemeente. Een weinig verheffend begin. Een aantal leden had, met hulp van enkele Bosschenaars, de koster gedwongen de sleutels af te geven en nam bezit van de kerk. Na een kerkdienst begon de vernieling. De gereformeerden hebben maar kort gebruik kunnen maken van de kerk, want ze werden er spoedig uitgezet en de katholieken kwamen weer terug. Het herstel ging langzaam, want er was weinig geld voor. Een jaar later hadden de katholieken nog steeds geen ander doopvont en werd de doop bediend uit het wijwatervat.
Tientallen jaren later, na het eind van de Tachtigjarige Oorlog, kregen de gereformeerden opnieuw de beschikking over de Catharinakerk, die zij gedurende ruim 150 jaar gebruikt hebben, al was de kerk wel wat groot voor de kleine gemeente. De katholieken moesten uitwijken naar een schuilkerk, in wat nu de Jan van Lieshoutstraat heet. Voor de katholieken was de confiscatie van hun kerk een bittere pil. Er vonden in de kerk nog wel steeds begrafenissen plaats en deze werden soms gehouden tijdens een gereformeerde kerkdienst, wat natuurlijk erg storend was. Bij de opgravingen enkele jaren geleden zijn talloze graven gevonden onder de vorige kerk.
Na de komst van de Franse koning Lodewijk Napoleon kregen de katholieken in 1809 hun kerk weer terug. Deze was toen wel nogal beschadigd, want de Fransen hadden er een bakkerij voor het leger in gehad. Nu waren het de gereformeerden, inmiddels hervormden genoemd, die zich moesten behelpen en uitwijken naar een schuilkerk. Die hebben zij geruime tijd gebruikt, voor zij een eigen kerkje konden bouwen. De eerste kerk waar zij daarna hun diensten hielden stond in de Ten Hagestraat. Deze heeft heel lang dienst gedaan.

Gerard van Gurp

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Varia" op pagina 5 van Samen jaargang 46 no. 5

Eritrea versus godsdienstvrijheid
Uit het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken

De Eritrese wetgeving en de niet geïmplementeerde grondwet voorzien in vrijheid van godsdienst. In de praktijk beschermde en respecteerde de overheid deze vrijheid niet en daarin is het afgelopen jaar geen verandering gekomen. Ook de beperking van godsdienstvrijheid tijdens de militaire en maatschappelijke dienst is in de verslagperiode niet gewijzigd. Het was soldaten en dienstplichtigen in het leger verboden hun geloof te belijden.

Slecht vier godsdiensten zijn toegestaan: de Eritrese Orthodoxe Kerk, de Rooms-Katholieke Kerk, de Luthers Evangelische Kerk en de Soennitische Islam. Leden van deze erkende religieuze groeperingen konden evenals voorheen openlijk hun geloof belijden. Individuele leden konden wel problemen ondervinden als ze zich te weer stelden tegen de overheidsbemoeienis met hun kerk. Want de overheid bleef de erkende religieuze stromingen controleren en zich bemoeien met benoemingen. De orthodoxe Patriarch Abune Antonios, die in 2007 protesteerde tegen deze
overheidsbemoeienis, staat nog steeds onder huisarrest. De Patriarch zou in slechte staat van gezondheid verkeren en medische zorg ontberen. In april 2016 werden tien Orthodoxe priesters gedetineerd wegens het protesteren tegen zijn voortdurende detentie.

Niet-erkende religieuze groeperingen
Geloofsbelijdenis door leden van niet-toegestane religieuze groeperingen is strafbaar. Leden van niet-erkende religieuze groeperingen -zoals Baptisten, Evangelische groeperingen, Zevende Dags Adventisten, Presbyterianen- en vooral Pinkstergemeentes en Jehova’s ondervonden evenals in de afgelopen jaren ernstige beperkingen bij het uitoefenen van hun geloof. Plaatsen van samenkomst werden of bleven gesloten en de overheid verstoorde religieuze diensten bij mensen thuis. Gelovigen werden zonder aanklacht opgepakt en vastgehouden in zware omstandigheden. Ook hebben leden van niet-erkende religieuze groeperingen nog steeds moeite bij het verkrijgen van paspoorten en uitreisvisa. Gewetensbezwaren van met name leden van Pinkstergemeenten en Jehova’s om de nationale dienstplicht te vervullen werden niet erkend. Ook de Baha’i hadden het nog steeds moeilijk. Overigens staat de publieke opinie neutraal tegenover de religie die mensen aanhangen. Over het algemeen trekt niemand zich iets van andermans religie aan.

Doordat de regering geen informatie verstrekt over gedetineerden is het onmogelijk het precieze aantal gedetineerde gelovigen vast te stellen. Gelovigen worden vaak gearresteerd en vrijgelaten zonder dat dit bekend is. Meerdere bronnen gaan uit van 1.200 tot 3.000 personen die in deze verslagperiode om religieuze redenen gevangen zaten. Het merendeel behoort tot een evangelische- of pinkstergemeente. Volgens mensenrechtenorganisaties zouden ook honderden
orthodoxe christenen en moslims vastzitten, onder meer omdat ze hun geloof boven de loyaliteit aan de PFDJ zouden stellen. Arrestaties vonden veelal plaats tijdens diensten bij mensen thuis of in andere gelegenheden. Er zijn dienstplichtigen betrapt en opgepakt bij het bidden of het lezen van bijbel of koran.

De omstandigheden waarin religieuze gedetineerden vastgehouden werden, waren onverminderd slecht. Net zoals in de vorige verslagperioden werden ze veelal vastgehouden zonder officiële aanklacht en hadden ze geen toegang tot familie of advocaat. Ze stonden bloot aan mishandeling en marteling en zaten in overbevolkte ruimten in slechte leefomstandigheden. Sommigen zaten daarentegen in eenzame opsluiting. Vrijgelaten religieuze gedetineerden meldden vastgezeten te hebben in ondergrondse cellen of metalen scheepscontainers in extreme temperaturen. Als voorwaarde voor hun vrijlating werden ze gedwongen hun geloof te verzaken.

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Samen naar buiten" op pagina 6 van Samen jaargang 46 no. 5

Niet door brood alleen!

Tijdens een dienst in het Open Huis zat ik te praten met een meneer wiens vrouw in een lig-rolstoel lag; hij had haar meegenomen vanuit Dommelhoef voor een bezoekje aan het Open Huis. Daar kwam hij zelf bijna dagelijks, op weg naar of terugkomend van een bezoekje aan haar. Door haar ziekte kon deze mevrouw nauwelijks verstaanbaar spreken, maar ze keek ons stralend aan. Er kwam een man binnen; ik noem hem Max. Max gaf mij een hand en ging daarna recht op de vrouw in de rolstoel af, pakte haar hand, begroette haar uitbundig en toen hij haar reactie nauwelijks verstond zei hij: “mevrouw, wij hebben geen woorden nodig om elkaar te begrijpen” – alleen haar stralende ogen spraken boekdelen. Met z’n vieren rond de tafel praatten we nog wat met elkaar;

Toen kwam er een Antilliaanse jongeman binnen, die vroeg of er nog brood was; Helaas moest ik hem vertellen dat alles was opgegaan bij de middagmaaltijd; waarop Max zei: “ik stel voor dat wij zo dadelijk samen naar een broodjestent gaan – ik trakteer jou”. En ze gaven elkaar een stevige hand.

Toen de heer met zijn vrouw in de rolstoel weg wilde gaan zei Max: ik wil mevrouw graag de joodse zegen geven; Hij ging staan en met zijn hand op haar hoofd vroeg hij ‘Adonai’, de Heer van Israël om haar te zegenen en te behoeden tot ze voor zijn troon zou zijn gekomen.
Daarna nam hij met een handkus afscheid van een heel gelukkige vrouw.

Jetty, gastvrouw
Open Huis Sint Cathrien

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Column" op pagina 8 van Samen jaargang 46 no. 5

HELP !
Mijn buurman is een vluchteling

“Mijn buren zijn vluchtelingen. De gordijnen zijn de hele dag dicht. Hoe komt dat? Hebben ze soms iets te verbergen? Willen ze geen contact?” Deze en andere vragen komen aan de orde op een buurtbewonersbijeenkomst waar ik bij betrokken ben. De bedoeling is om samen met vluchtelingen te praten over wederzijdse vooroordelen. En die zijn er genoeg, van beide kanten, zoals bovenstaande gedachte dat ‘vluchtelingen vaak iets te verbergen hebben.’
Zo denken veel vluchtelingen dat in Nederland “alles mag en alles kan”, maar wat dat dan inhoudt weten ze niet.
Wel dat we allemaal “aan de drugs zijn” dat is ook zo’n leuk vooroordeel.... Alle Nederlanders zijn rijk, is er nog zo een, alle Nederlanders hebben aids is een minder leuke en Nederlanders zijn lomp en zeggen alles wat in hen opkomt is misschien wel een reële...?? Aha!! Een ernstiger vooroordeel is dat wij alles aan de hand van de agenda doen, geen tijd hebben voor een goed gesprek en dus niet gastvrij zijn. Ook hebben we veel regels, teveel.
Nederlanders vinden over het algemeen dat vluchtelingen veelal geen respect hebben voor onze waarden en normen, vooral niet in de man-vrouw relatie, we vinden ze vaak vies, slordig, rommelig en lawaaierig, ze hebben wel allemaal een smartphone en grote tv, maar verder alles kwijt... en minder leuk: ze slaan hun kinderen, willen geen Nederlands leren en hebben vaak terroristische neigingen.
Genoeg om over van gedachten te wisselen, lijkt me!
Wanneer we dat niet doen, worden de vooroordelen steeds uitvergroot en gaat ook helaas de politiek ermee aan de haal om er politiek gewin uit te halen. Je kunt vooroordelen gemakkelijk exploiteren: je hoeft je nergens in te verdiepen en je roept maar wat, zodat het beeld steeds versterkt wordt dat de ander niet deugt.
Juist in de kerken zien we dat mensen moeite doen om nader tot elkaar te komen: neem de tijd en ga eens rustig zitten en kom erachter dat veel moslims de gordijnen dicht doen zodat de vrouw en dochter zonder hoofddoek kan rondlopen, iets wat zij in haar cultuur ook doet achter gesloten deuren. Dan komt er begrip en kunnen we elkaar gemakkelijker respecteren/helpen.
Het helpt ook wanneer vluchtelingen vragen stellen aan Nederlanders over gebruiken en gewoontes van deze cultuur. Over en weer in de weer met aandacht voor elkaar, zo worden vluchtelingen medebewoners en Nederlanders nóg toleranter!
En wordt je eigen cultuur verrijkt.

Lianne Gast

Onderstaande artikel staat in de rubriek "zorgSamen" op pagina 9 van Samen jaargang 46 no. 5

Een andere kijk op de wereld.

We kijken naar hetzelfde. Toch zie ik wat jij niet ziet. En omgekeerd. Zie jij wat ik niet zie. Waarom?
Omdat we kijken. En kijken doen we met de ogen; maar zien met de ziel.
“De wereld is veranderd”, verzucht je. Vaak voeg je er dan aan toe: “ik hoor daar niet meer thuis” of “het wordt er niet beter op”, of “hoe vind ik mijn plek daar weer?” Er volgt een sombere blik op de toekomst. En voor je het weet werkt dat zo verlammend dat alle zicht én dadendrang verdwijnen.
Ach zo vreemd is dat niet. Wie om zich heen kijkt, ziet veel dingen liever anders. Jammer is het wel.
Wat valt er allemaal te kijken als ik hier met jou rond kijk in de binnentuin van de Woenselse Poort?
Een hond. Enige geiten. Een paar varkens. Een paard en een wagen. Een paar vogels op een lantaarnpaal en eenden in een plas. Een tuin met bramenstruiken en een mesthoop. Een binnen ruimte met verf en kwasten, muziekinstrumenten, computers ; Ipads; Afgesloten deuren. En hekken. Veel hekken. Camera’s.
Alledaagse dingen hier. Daar kunnen we verhalen over maken. Ik dacht aan een verhaal over een hond waarvoor altijd brood kruimels zijn, over een dier dat zoek raakt en gevonden wordt , over een man die niet uit de varkenstrog hoeft te eten, over zorgeloze vogels in de lucht, over een tuin met een mesthoop waar niemand op zit, over mensen die leren zich te uiten en te verbinden met elkaar, over mensen die ook opgesloten zijn in zichzelf, maar voor wie er op de deur wordt geklopt en voor wie de deur open gaat. En dat er iemand is die ze gastvrij onthaalt. Over ogen die alles zien, maar met mededogen.
Wie met hart en ziel kijkt ziet opeens zoveel meer. Ik zie de bramenplukker van Bomans lopen die in dauwdruppels parels herkent. Ik zie spontaan bijbelverhalen tot leven komen met beelden voor God, voor wie elk mensenkind telt en mensen niet verloren maar mensen zijn. Zo deed Jezus dat.
Ik zie mensen oogsten. Mensen in een tuin moeten maar afwachten wat er van de inspanning terecht komt. De meeste moeite is tevergeefs, maar toch blijf je door spitten. Je moet wel. Je weet niet wat de uitwerking zal zijn van je inspanning, je scholing, je werk, je pogen.
Behalve dat als je niet zaait er niets zal groeien wat je kunt oogsten.
Soms heel even krijg ik iets te zien van de mens achter de bewoner hier. En de bewoner iets van mij. Vervolgens zie je wie iemand werkelijk is. Hoe die gegroeid is: krom, scheef, heel geworden, nog groeien kan.
De tijd van pasen is een tijd van zien, oog krijgen voor wat groeit, voor de medemens en God. Volgens het joods-christelijk verhaal kijken vrouwen met pasen in een leeg graf, maar zien ze opstanding, bevrijding, een nieuwe manier van leven.
Er blijkt nog van alles mogelijk.

Berend Veldhorst.
Centrum voor beZINning.

Onderstaande artikel staat in de rubriek "Samen naar buiten" op pagina 9 van Samen jaargang 46 no. 5

Terug naar het land van herkomst

Het is een grote stap om na een verblijf in ons westerse land weer terug te moeten naar het land van herkomst. Dat is soms heel angstig en spannend, maar het kan ook wel eens goed aflopen.
Vluchtelingen in de knel begeleidt uitgeprocedeerde en afgewezen vluchtelingen bij het verkrijgen van een duurzaam toekomstperspectief door middel van training en intensieve sociaal juridische ondersteuning. Afhankelijk van wat mogelijk is en van de behoefte van cliënt streven we naar legalisering van verblijf in Nederland óf naar begeleidde terugkeer naar het land van herkomst. Alice is een van onze cliënten die we begeleid hebben bij terugkeer naar Zambia. Alice had een moeilijk leven in Nederland en was hier steeds ongelukkiger aan het worden. Haar relatie liep niet en ze dronk haar problemen weg. Tevens werd haar moeder in Zambia ziek waar ze voor wilde gaan zorgen. Uiteindelijk heeft ze daarom besloten om terug te keren naar Zambia. Na haar terugkeer ontvingen we het volgende bericht:
"Het is erg warm hier. Heel erg bedankt voor jullie hulp en geduld. Het goede nieuws is dat ik niet meer gedronken heb sinds ik Nederland heb verlaten. Mijn familie heeft me op een speciale gezondheidskuur gezet: We lachen dag en nacht!"

Vluchtelingen in de knel.

Hebt u belangstelling voor dit kerkblad, maar bent u geen lid van de PGE?
Via de webshop kunt u zich inschrijven voor een abonnement.

 

 

 

Pin It

Afdrukken E-mail